35
years
v2_
 

"Een extreem gecompliceerd fenomeen van zeer korte duur dat eindigt in vernietiging": de 20ste eeuw als een auto-ongeluk in slow-motion

Dutch translation of an essay by Mark Dery, published in "Technomorphica" (1997)

"Een extreem gecompliceerd fenomeen van zeer korte duur dat eindigt in vernietiging": de 20ste eeuw als een auto-ongeluk in slow-motion. 1

1. D.M. Severy, geciteerd in Jacob Kulowski, Crash Injuries: The Integrated Medical Aspects of Automobile Injuries and Deaths, Springfield, IL: Charles C. Thomas, 1960, p. vii.

Het millennium is nakende, of liever gezegd: de Millenia, een enigszins leesblinde maar bepaald futuristische nieuwe Mazda luxe sedan, "zo geavanceerd, dat er een aparte fabriek voor moest komen." 2

2. Mazda advertentie, 1994.

Advertenties voor de Millenia koppelen het soort snob-appeal waarop alle reclame voor luxe auto's drijft, aan de technobabbel van Sharper Image - een stilzwijgende erkenning dat de auto de laatste jaren steeds meer cyborg-trekken krijgt, nu elektronische componenten zijn doorgedrongen in rem-, stuur- en veringsystemen.

De auto-industrie koerst af op de Brug naar de 21ste Eeuw, zowel letterlijk als figuurlijk. Rockwell International is bezig met de ontwikkeling van een 'slimme auto van de toekomst', die z'n weg zoekt door gebruik te maken van een netwerk van satellieten: het GPS (Global Positioning System). De bestuurder krijgt verbale opdrachten om 'linksaf' of 'rechtsaf' te slaan op de juiste kruispunten. 3

3. Calvin Sims, 'Putting Space-Age Expertise in the Driver's Seat', The New York Times, 1 mei 1994, p. F7.

Intussen rekenen de auto-adverteerders ook tot hun doelgroep de op hebbedingetjes geilende nerdeoisie die gewoon niet zonder die digitale infraroodcamera van een ton kan uit de rubriek 'Fetish' van Wired. In een advertentie uit 1993 werd de Mazda 929 aangeprezen als "een luxe sedan die denkt als een mens ... dankzij z'n geavanceerde 'fuzzy logic' computer", die automatisch de cruise control, de airconditioning en de ventilatie regelt.

Onze hele overgang van het Machine Tijdperk naar de Informatie Maatschappij wordt kort samengevat in deze sprong in de evolutie van het voertuig. Met hun geïmplanteerde microchips en postmoderne stroomlijning roepen de huidige RoboCars het beeld op van een gladde, technocratische toekomst. Tegelijkertijd zijn ze de belichaming van ons steeds sterker wordend gevoel van incompetentie en wellicht zelfs onbelangrijkheid in een wereld die bedolven raakt onder apparaatjes die onzichtbaar klein en dermate complex zijn, dat de meeste mensen ze absoluut niet meer kunnen doorgronden. "Als vijfentwintig of dertig jaar geleden een auto pech kreeg, stapte de bestuurder uit, deed de motorkap open en keek wat er aan de hand was en of hij het kon repareren", aldus Gary Chapman. Maar "al pruts je tot je een ons weegt ... een Mercedes Benz 500SL geeft z'n geheimen niet prijs, want die schijnt over niet minder dan achttien microprocessors te beschikken." 4

4. Gary Chapman, 'Taming the Computer in Flame Wars: The Discourse of Cyberculture', Durham, NC: Duke University Press, 1994, p. 307.

Voortbouwend op de traditie van een vierwielig futurisme dat zo oud is als de ruimteschip-achtige staartvinnen uit de jaren '50 en zo recent als de Acura NSK 1997, waarvan "de vloeiende lijnen en naar voren neigende cockpit" zijn geïnspireerd door de F-16 straaljager, heeft de huidige reclame voor de hooggeëerde automobiel niet genoeg aan beelden uit de raketwetenschap, en wordt hij nu in een millennium-ruimtekromme geslingerd. In tijdschriftenadvertenties zeilt de Toyota Avalon door wolken als uit de Sixtijnse Kapel, met als slagzin "ervaar de rust" - een enigszins verontrustende uitnodiging, gezien het feit dat het Avalon in de Arthur-legende staat voor het hiernamaals van gesneuvelde helden. Maar ondanks de spirituele hulp van overwerkte reclamejongens blijft de auto een anachronisme bij uitstek - een metalen doos op wielen, aangedreven door een motor die fossiele brandstof opslurpt en giftige dampen uitspuwt. In een tijdperk dat in het teken staat van het overwinnen van snelheid, waarin wetenschappers al knagen aan de barrière van de lichtsnelheid die beperkingen oplegt aan het aantal miljoenen bewerkingen per seconde die een computer kan uitvoeren, illustreren de bijna permanente opstoppingen rond grote steden de schrille tegenstelling tussen het gegevensverkeer dat langs de Elektronische Snelweg flitst en het spitsuur-verkeer dat over de echte snelwegen kruipt. "Voor de telematische nomade is een auto pure nostalgie; een symbool van verloren tijd", zegt Marshall Blonsky, in de geest van Baudrillard. 5

5. Marshall Blonsky, 'American Mythologies', New York/Oxford, Oxford University Press, 1992, p. 27.

Nu mobiele telefoons, laptops en de wereldomspannende bekabeling een lachertje hebben gemaakt van tijd en locatie, herinnert de auto ons er op zeurderige toon aan dat we er nog steeds niet in zijn geslaagd om onze Darwiniaanse bagage, ons lichaam, van de ene plek naar de andere te zappen, zoals in Star Trek. De auto is een symbool van de Tweede Golf: de altijd aanwezige herinnering aan de lopende band die de industriële moderniteit heeft mogelijk gemaakt, een oerproduct dat centraal staat in de na-oorlogse consumentencultuur, een essentiële factor in de opkomst van suburbia en de teloorgang van de binnensteden, de grote motor achter de opmars van het asfalt en de winkelcentra in Amerika. "De weg is op de TV gaan lijken: gewelddadig en smakeloos", schrijft James Howard Kunstler in 'The Geography of Nowhere'. "Het landschap waardoor de weg loopt, is bezaaid met gebouwen uit stripverhalen en met reclameboodschappen ... Je hebt nooit het gevoel dat je ergens aankomt, want geen enkele plek lijkt iets te hebben wat een andere plek niet heeft." 6

6. James Howard Kunstler, 'The Geography of Nowhere', New York, Simon & Schuster, 1993, p. 131.

De auto - en vooral de eis van de Amerikaanse consument dat er volop goedkope benzine moet zijn - was een belangrijke drijfveer achter de Golfoorlog in 1991, en deze evidente waarheid werd erkend aan beide uiteinden van het politieke spectrum. Zowel in Jello Biafra's opruiende punkrock-song "Die for Oil, Sucker" als op een strijdlustig T-shirt dat erg in trek was bij de pro-oorlog factie, met het opschrift: "Kick their ass, take their gas".

In de mythe van een geslaagd leven zingt de auto het lied van de open weg, waarbij zeer Amerikaanse visioenen worden opgeroepen van onbegrensde vrijheid en voortdurende vooruitgang, maar in feite is hij een onverbiddelijke vijand van de vooruitgang in brede maatschappelijke zin. In het 'Futurama'- paviljoen van General Motors op de Wereldtentoonstelling van 1939 waren de monorails uit goedkope SF-verhalen verdrongen door druppelvormige auto's die over 14-baans snelwegen zoefden - een science-fiction uiting van de heimelijke en destijds al aardig verwezenlijkte strategie van GM om het openbaar vervoer in de wielen te rijden door tramlijnen op te kopen en vervolgens op te heffen.

Afgezien hiervan kunnen we de auto niet alleen beschouwen als een overblijfsel van de Tweede Golf, maar ook als de voorbode van de slow-motion botsing van biologie en technologie, die is begonnen in de Industriële Revolutie en in een hogere versnelling is gezet in het Informatie Tijdperk (transistor, printplaat, microchip, netwerk) en nu in de 'wired' jaren '90 uit de bocht begint te vliegen. Het moment van botsing, waar het organische en het synthetische samenkomen (op z'n minst metaforisch, maar steeds meer ook letterlijk, in de genetica en bionische geneeskunde), lijkt thans nog maar een fractie van een seconde verwijderd. Achteraf bezien, is de auto een zeer geschikte kandidaat voor de opsplitsing van de boreling en de Borgeling, als zwakke voorafschaduwing van myo-elektrische prothesen, tele-operaties en die Heilige Graal van de cyberpunk-SF: de hersenplug die het membraan tussen brein en machine geheel zou doen verdwijnen.

"Wanneer we autorijden, wordt ons zenuwstelsel aan de auto gekoppeld", schrijft David Paul in 1987 in z'n essay 'Man a Machine'. Voor Paul "is de auto het lichaam van de bestuurder, dat onder directe controle staat van diens brein en centrale zenuwstelsel. De bestuurder 'ervaart' objecten buiten de auto en schat afstanden vanaf de auto in op een manier, die ruwweg overeenkomt met de handelingen die betrokken zijn bij het beoordelen van de omgeving van het fysieke lichaam ... Amper tien jaar geleden was er sprake van een experimenteel remsysteem dat bediend kon worden door het optrekken van een wenkbrauw [...] We lijken af te stevenen op een tijd waarin het met de wil op gang brengen van een machine een relatief normale bezigheid wordt." 7

7. David Paul, 'Man a Machine', in Apocalypse Culture, uitgave Adam Parfrey, New York, Amok Press, 1987, p. 169.

Paul is niet de enige die het cyborgachtige karakter van auto en bestuurder heeft opgemerkt. De relatie is vereeuwigd in het maxime van Enzo Ferrari dat er "tussen mens en machine een volmaakte verdeling is: 50 procent machine en 50 procent mens". 8

8. Stephen Bayley, 'Sex, Drink and Fast Cars', New York, Pantheon, 1986, p. 34.

En beroepscoureur Lyn St. James zegt over haar relatie tot haar racewagen: "Je zit er zo strak ingesnoerd dat het net is of je hem aan hebt. Je wordt één met de wagen ... Op dat moment ben ik in m'n krachtigste vorm." 9

9. Jill Lieber, 'A Road Less Taken', in Sports Illustrated, 3 mei, 1993, p. 55.

Jacques Villeneuve, die in 1995 de Indy 500 won in een machine die zat volgepropt met sensoren en microprocessors en die meer leek op een kruisraket dan op een wagen, onderschrijft dat gevoel: "Je vergeet dat het een apart ding is. Je voelt alles. Je voelt wat er met de wagen gebeurt, via het stuur, je handen, je voeten, je achterwerk en je rug [...] Als je er eenmaal aan gewend bent, voelt het heel natuurlijk aan ... net als lopen ..." 10

10. Todd Lappin, 'The Ultimate Man-Machine Interface', in Wired, oktober 1995, p. 130.

Zelfs bij 175 kilometer per uur - een slakkengangetje vergeleken bij de 350 kilometer per uur die Villeneuve haalt - voelt autojournaliste Lesley Hazleton een band met haar Porsche 911: "Het was net of ik de auto werd, of de auto mij ... Weg, bestuurder en machine versmolten tot één geheel, een heidense verbintenis van asfalt, staal en vlees." 11

11. Lesley Hazleton, 'Confessions of a Fast Woman', uittreksel in American Way, 15 december 1992, p. 22.

Het lijkt erop dat deze 'heidense verbintenis' van Hazleton werkelijkheid wordt wanneer Pauls cortex-computerlink van bestuurders als Cowboy - de cyborg road warrior uit Walter Jon Williams' SF-roman 'Hardwired' - een permanent verschijnsel maakt op de 14-baans snelweg van Tomorrowland. De boude uitspraak van de Futuristische dichter F.T. Marinetti dat "we de schijnbaar onoverwinnelijke vijandschap tussen ons menselijk vlees en het metaal van machines zullen overwinnen" zal echter in de afzienbare toekomst nog een posthumanistisch luchtkasteel blijven. 12

12. Geciteerd door James Mackintosh in 'An Ode to Cyborgs', Adbusters, jaargang 2, nummer 2, zomer/najaar 1992, p. 12.

De spanning die deze schijnbaar onoplosbare situatie oproept, zoekt een ontlading in het auto-ongeluk, waarbij mens en machine, voor eens en altijd, verenigd worden.

Het onderzoek 'Crash Injuries: The Integrated Medical Aspects of Automobile Injuries and Deaths' van Jacob Kulowski uit 1960 is op intrigerende wijze doorspekt met invloeden van cybernetica en 'humanetica', allebei disciplines die zich in meerdere of mindere mate bezighouden met het optimaliseren van de mens-machine interface. "Ik ben ervan overtuigd dat botsingsmechanica" - elders gedefinieerd als "de specifieke kunst van het niet-dodelijk maken van auto's" - "het spiegelbeeld is van humanetica, het sleutelen aan mensen", schrijft Kulowski, die humanetica omschrijft als "het veld van activiteiten waarin speciale nadruk ligt op het bepalen van de optimale manier van interactie tussen de mens en de machinesystemen waarvan hij deel uitmaakt." 13 (cursivering M.D.)

13. Kulowski, 'Crash Injuries', ibid., pp. xxi, xix, xx.

Deze zin is verhelderend, omdat hij veronderstelt dat de mens een organische component is in een groter technologisch systeem - het spreekwoordelijke "radertje in het geheel" - en niet zozeer een co-evolutionaire factor in een omgeving die half organisch en half mechanisch is. Het is veelzeggend dat 'Crash Injuries' overschaduwd wordt door vage voorgevoelens over het lot van de mens in een steeds technologischer landschap, zoals blijkt uit Kulowski's tragikomische opmerking dat "de mechanische efficiëntie van het menselijk lichaam een verfrissend commentaar is op de mechanische efficiëntie van de mens en op zijn overheersing over tenminste enkele elementen van de mechanische omgeving." 14

14. Kulowski, 'Crash Injuries', ibid., p. 14.

Elders merkt hij op dat "de snel toenemende frequentie van deze verwondingen en sterfgevallen bij ongelukken waarschijnlijk voortkomt uit ... stress-gedragspatronen die kenmerkend zijn voor het tijdperk van kracht en snelheid waarin we leven, werken en spelen." 15

15. Kulowski, ibid., p. vii.

Het auto-ongeluk - op gedenkwaardige wijze geformuleerd door een van de bronnen van Kulowski als "een extreem gecompliceerd fenomeen van zeer korte duur dat eindigt in vernietiging" - is mythisch bezien tegelijk een precognitieve droom van onze samensmelting met machines en een geritualiseerde verbeelding van het moment waarop we de controle over die machines verliezen. Het steeds meer en heftiger over-de-kop-slaan, frontaal botsen en met-z'n-allen-op-elkaar-knallen in films van het type 'Die Hard' en 'Speed' is duidelijk een diepe knieval voor de Kleinste Gemene Deler in een cultuur die behept is met een concentratiestoornis. Maar op het wat diepzinniger niveau van de science-fiction mythe suggereert het feit dat speciale effecten bevrijd raken van wat McLuhan de 'Gutenbergiaanse' beperkingen van verhalen die wortelen in de menselijke psychologie zou noemen, dat de eerste tekenen van opstandigheid zichtbaar worden in de technosfeer - de droom van hetmachinieke phylum om het menselijke element geheel uit de cyclus te verwijderen.

Merkwaardig genoeg brengt het auto-ongeluk (wederom in mythische zin, niet in feitelijke zin) ons ons mens-zijn in herinnering. Murw geworden en terzijde geschoven door de onophoudelijke schokken en prikkels van de consumentencultuur en de massamedia beginnen we, in existentiële zin, steeds meer op crash test dummy's te lijken. Zo bezien, fungeert de botsing als een klap, die ons wakker schudt en ons weer in contact brengt met een materiële werkelijkheid die steeds kleiner lijkt te worden in onze achteruitkijkspiegel, naarmate we steeds meer tijd doorbrengen aan de andere kant van het computerscherm. In de roman 'Crash' van Ballard vertrouwt de verteller ons toe over de botsing waarbij hij een andere bestuurder dood reed: "... het was de enige echte ervaring die ik in jaren had meegemaakt. Voor het eerst werd ik echt fysiek geconfronteerd met m'n eigen lichaam (een onuitputtelijke encyclopedie van pijn en afscheidingen), met de vijandelijke blik van andere mensen en met het feit dat die man dood was." 16

16. J.G. Ballard, 'Crash', New York, Vintage Books, 1985, p. 39.

Deels geïnspireerd door 'Crash Injuries', is 'Crash' onder meer een science-fiction reactie op wat de auteur noemt "het gruwelijkste slachtoffer van de 20ste eeuw: de dood van het gevoel." In de onthechte, precieze taal van de patholoog-anatoom en de technicus, werpt Ballard een duistere schaduw vooruit van "een seksualiteit die voortkomt uit een perverse technologie", een nieuw lemma voor Psychopathia Sexualis van Krafft-Ebing, geschreven in de sado-mechanistische verminkingen van de hoofdpersonen in 'Crash': "... haar baarmoeder, doorboord door de heraldieke snavel van het embleem van de fabrikant; zijn zaad, geloosd over de lichtgevende instrumenten die voor altijd de laatste motortemperatuur en benzinepeil aangaven." 17

17. Ballard, 'Crash', ibid., p. 8.

Gewelddadig en zonder hartstocht, voorbij de psychologie van het ego en maatschappelijke mores, is dit een posthumane seksualiteit "zonder referentialiteit en zonder grenzen", zoals Baudrillard schrijft in zijn essay over 'Crash'. 18

18. Jean Baudrillard, 'Two Essays', in Science-Fiction Studies, 55, jaargang 18, deel 3, november 1991, p. 313.

Vervreemd van een lichaam dat steeds meer op een pre-industrieel artefact lijkt, maakt deze nieuwe seksualiteit fetisjen van stedelijke verlatenheid, televisierampen, beroemdheden en goederen, en vooral van de auto.

In 'Crash' wordt bijna alleen maar aan seks gedaan in auto's; buiten die context is er niks meer aan. Het lichaam wordt pas erotisch op het snijpunt met technologie of de bebouwde omgeving, hetzij letterlijk (doorboord door portierkrukken, gespiest op stuurkolommen) hetzij figuurlijk ("... de ongerepte, rechtlijnige ruimtes van dit gebouw werden in mijn gedachten één met haar kuiten en dijen die tegen het vinyl van de bekleding drukten"). 19

19. Ballard, 'Crash', ibid., p. 74.

Net als in SF-films als '2001' en 'Blade Runner' worden mensen hier neergezet als emotieloze mannequins, terwijl de technologie om hen heen juist verwarrend antropomorfisch is: de "groteske manier waarop een dashboard op het kruis van een bestuurder hangt" bij een ongeluk, doet denken aan "een afgemeten daad van fellatio door een machine", en de "elegante aluminium luchtkokers" in een ziekenhuis "even uitnodigend lokken als de warmste menselijke opening". 20

20. Ballard, ibid., pp. 12, 41.

In de ontaarde geometrie van 'Crash' vallen zaad en koelvloeistof, kruis en verchroomde klokranden samen. "Ik denk dat organische seks, lichaam tegen lichaam, huid tegen huid, niet langer mogelijk zal zijn", zegt Ballard in een interview in 1970, "simpelweg omdat alles wat enige betekenis voor ons kan hebben, moet plaatsvinden binnen de waarden en ervaringen van het medialandschap." 21

21. Quoted in Re/Search 8/9: J.G. Ballard, edition Vale and Andrea Juno, San Francisco, Re/Search Publishing, 1984, p. 157.

'Crash' geeft het versplinterde beeld van de menselijke psychologie via de gebroken voorruit van de postmoderne cultuur met z'n afgevlakte emoties, de aanbidding van beroemdheden, het obsessieve vastleggen van elk beleefd moment en de psychotische verwarring van subjectieve ervaring en filmfictie. Net als Cronenbergs 'Videodrome', Don DeLillo's 'White Noise' en Ballards eigen 'Atrocity Exhibition', is deze roman een dichterlijke poging tot psycho-analyse van de cybernetische subjectiviteit van de late 20ste eeuw - een eeuw die wordt gekenmerkt door snelheid en een overdaad aan sensorische stimuli, door het overvleugelen van de belichaamde ervaring door media simulatie, en door de overkoepelende dynamiek van ontlichaming en dematerialisatie. Ballard beweert al heel lang dat de psychologie van de gangbare roman - introspectief en solipsistisch, een artefact van het boek - een overblijfsel is uit de 19de eeuw en dat science fiction de enige literatuur is die bij machte is iets zinnigs te zeggen over de tijd waarin we zelf leven. Een tijd waarvan de psychologische drijfkracht middelpuntzoekend is, niet middelpuntvliedend - een tijd waarin "maatschappelijke relaties minder belangrijk zijn dan de relatie van het individu met de technologische omgeving", wat erop neerkomt dat de psychologie tussen personen is vervangen door een nieuwe, cyborgiaanse psychologie: de feedbacklus tussen mens en machine. 22

22. J.G. Ballard, 'A User's Guide to the Millennium', New York, Picador USA, 1996, p. 205.

'Crash' is een briljant voorbeeld van de relatie tussen auto en bestuurder als een mooie metafoor van onze huidige psychologische (en steeds meer ook fysiologische) symbiose met de machine. Daar komt bij dat het beeld van automobilisten die, afgesloten in hun eigen voertuig met hun eigen klimaatje, op de snelweg wedijveren voor een plekje, sterk doet denken aan het steeds meer opgedeelde karakter van onze maatschappij. Onder het groeiend aantal zelfstandig werkenden bevinden zich velen die een leven leiden als in The Net, en virtuele contacten onderhouden vanuit het fysieke isolement van hun elektronische cocon. Maar zoals ik al zei, de relatie auto-bestuurder is meer dan een toepasselijke metafoor; het is een alomtegenwoordig voorbeeld, een onzichtbare evidentie, van onze doodgewone psychologische symbiose met onze machines. Het is eigenlijk onvoorstelbaar dat er, een eeuw na de uitvinding van de automobiel, voor zover ik weet nog nauwelijks systematisch onderzoek is verricht naar of een rigoureuze analyse is gemaakt van de relatie tussen bestuurder en auto, of tussen bestuurder en bestuurder. Zien andere bestuurders onze voorkant met koplampen onderbewust als ons gezicht? Ervaren we 'gesneden' worden als een schending van ons lichaamsterritorium? En als belangrijkste vraag: welk psychologisch mechanisme stelt ons eigenlijk in staat om de grenzen van onze auto te 'voelen' bij zulke precaire verrichtingen als achteruit parkeren? Deze vraag raakt de kern van het vraagstuk van mens-machine interactie. Machinekunstenaar Mark Pauline beschreef eens de onwezenlijke sensatie van 'tele-aanwezigheid' toen hij een raketwerper bediende met behulp van een virtual-realitybril waardoor je het doelwit kon zien vanuit het gezichtspunt van de raket: "De dieptewaarneming is fantastisch, en als alles eenmaal goed is afgeregeld, zak je er helemaal in weg. Je ervaart je lichaam op een heel andere manier, net als in een isolatietank; je bent je er niet langer van bewust, zo comfortabel is het. Dat is ook het sleutelbegrip bij al dit soort invoerapparaten. Als alles eenmaal vanzelfsprekend is geworden, gebeuren er interessante dingen. Daar is niet veel voor nodig, want onze geest zoekt het zelf op, probeert actief met van alles te versmelten." 23

23. 'Deus ex Machina', Manuel DeLanda and Mark Pauline interview, 21. C, 3, 1995, p. 52.

Als we de fenomenen begrijpen die Pauline beschrijft - dat ons geestesoog blijkbaar in staat is ons lichaam steeds anders waar te nemen, dat we ons met gretigheid overgeven aan een technologische interface (zoals ook blijkt uit de algemene beleving van bulletin boards als plekken) - hebben we de moedersleutel in handen van de opkomende psychologie van het Informatie Tijdperk. We hebben al af en toe een glimp opgevangen van het cybernetische zelf in McLuhans 'Understanding Media' en in Turkle's 'Life on the Screen'; in Fredric Jamesons denkbeelden over "psychische fragmentatie", decentralisering en dood van het subject in 'Postmodernism'; en in Scott Bukatmans "terminale identiteit" ("een onmiskenbaar verdubbelde koppeling waarin we zowel het einde van het subject vinden als een nieuwe subjectiviteit die ontstaat aan het computer-werkstation of het televisiescherm"). 24 Voortgaand diepgravend onderzoek blijft geboden, willen we ooit de culturele G-kracht doorgronden die de gesloten, coherente psyche van humanisme en wetenschappelijk rationalisme verbuigt en vervormt.

24. Scott Bukatman, 'Terminal Identity The Virtual Subject in Postmodern Science Fiction', Durham, NC, Duke University Press, 1993, p. 9.

Aangezien slechts weinigen onder ons gebruik maken van op afstand bediende raketwerpers, lijkt me de relatie auto-bestuurder een geschikter terrein voor onderzoek. De psychoseksuele subtekst van auto-ontwerpen en autoreclame is natuurlijk al uitputtend onderzocht, maar dat vormt slechts het meest in het oog springende aspect van een gebied dat zich tot op heen grotendeels aan onze blik onttrekt. Hier wacht een der laatste grote terra incognita van de innerlijke ruimte op de Sigmund Freud van de airbag en de C.G. Jung van het ABS-systeem.

Document Actions
Document Actions
Personal tools
Log in