Hello world! Het grote vlak

Essay (1992) by Dick Raaijmakers. It was republished in the 'Monografie', and between 2008 – 2012 it was also available on the website www.dickraaijmakers.nl. (Dutch text).

Het grote vlak

screencap from the website with Het grote vlak

We versimpelen onze gecompliceerde wereld en reduceren haar tot een enkel vlak. Dit vlak – een uitgestrekte eendimensionale horizontaliteit zonder einder – vertegenwoordigt het absolute niets. Er is niets, er klinkt niets, er gebeurt niets, de tijd staat stil. Op één uitzondering na. Ergens in de verte wordt de oneindige uitgestrektheid doorbroken door een ander vlak: een naar de hemel reikende immense verticaliteit, een kolossaal scheidsvlak dat het horizontale wereldvlak in twee helften splijt. Dit vlak – wij noemen het HET GROTE VLAK – staat daar ‘zomaar’, schijnbaar zonder aanwijsbare reden, zonder drama ook. Het is daar volkomen eenzaam, omringd door een volledig niets.
    Wij overwegen ons naar dat vlak te begeven, maar wij aarzelen. Wij beseffen dat alleen al door onze aanwezigheid de zin van dit eenzame staan, en daarmee de reden van het bestaan van het vlak, grondig zal worden aangetast. Bovendien stellen wij door onze komst de betrouwbaarheid van onze waarneming in de waagschaal. Toch is het niet uitgesloten dat het vlak daar uitsluitend staat om door ons gezien te worden, en dat de reden van zijn aanwezigheid louter door onze nabijheid pas een diepere zin en betekenis krijgt. Deze overweging sterkt ons om daadwerkelijk op pad te gaan.
    Wanneer wij HET GROTE VLAK voldoende zijn genaderd, maken wij halt. Van dichtbij bezien blijkt hoezeer het vlak als scheidsvlak volledig abstract is, ook al is het in materiële zin nog zo concreet en bezit het volume en plasticiteit. Abstract en concreet drukt het vlak ten opzichte van het horizontaal uitgestrekte wereldvlak een en al verticaliteit uit. Zijn ‘eenbenige’ opgerichtheid versterkt deze indruk alleen maar. Zijn huid is glad en weerspiegelt de zon. Van enige inscriptie, lijn of tekening die het vlak een zeker reliëf zou kunnen verlenen geen spoor. Indien dat wel het geval was, zou het onze aandacht onmiddellijk hebben getrokken. Niets duidt erop dat het vlak voornemens is om ons – wij die het vlak zijn genaderd teneinde ermee in contact te kunnen treden – een boodschap te brengen. Als ‘teken’ drukt het vlak naast zijn verticaliteit uitsluitend zichzelf uit (dat wil zeggen: zichzelf in al zijn eenzaamheid).
    HET GROTE VLAK staat, hoe wij het ook bekijken, in relatie met niets. Het onderhoudt zo te zien ook geen relatie met ons die het vlak willen kennen. Mogelijk dat onze positie van waarnemer door ons verkeerd wordt ingenomen, letterlijk en figuurlijk terzijde van het vlak en dus verre van ideaal. Misschien dat deze verkeerde positie een relatie met het vlak onmogelijk maakt. Op de keper beschouwd is onze positie eerder die van een voyeur die zich op veilige afstand ophoudt, dan van een serieuze observator die zich, zonder zich enige rust te gunnen, voortdurend om het vlak heen zou bewegen.
    Terwijl wij bewegingloos en besluiteloos vanuit een vast punt op enige afstand toekijken, beseffen wij maar al te goed dat zo’n serieuze, want ‘ideale’ observator onder dezelfde omstandigheden voortdurend in de weer zou zijn om zoveel mogelijk indrukken van het fenomeen op te doen. Het zou deze ideale waarnemer er alles aan gelegen zijn al die indrukken als het ware op te stapelen en niet te rusten tot het beeld van HET GROTE VLAK op het horizontaal uitgestrekte wereldvlak hem duidelijk voor ogen staat. (Dat beeld betreft niet uitsluitend het uiterlijke beeld, maar al hetgeen het vlak meent te moeten mobiliseren om zich ‘zo’ en niet anders dan ‘zo’ aan deze waarnemer te kunnen manifesteren.)
    Wij weten dat op het moment dat de ideale waarnemer genoeg indrukken van het vlak heeft opgedaan, hij het beeld ervan met zich mee zal nemen om het elders in alle rust en afzondering te kunnen bestuderen. En dat alles terwijl wij – uitgerekend wij, die in aanleg minstens zulke bekwame observators en onderzoekers zijn als de ideale figuur – niet veel verder komen dan vastgenageld aan de wereld te staren naar wat zich voor onze ogen voordoet. Wij besluiten een voorbeeld te nemen aan de ideale observator en de ontstane status-quo te doorbreken door een ‘toenaderingsplan’ te smeden.


Een toenaderingsplan

Ons plan luidt: wij willen HET GROTE VLAK aanraken. Wij nemen geen genoegen met het uitsluitend ‘omwentelen’ van het vlak teneinde ons er een zo getrouw mogelijk beeld van te kunnen vormen. Nee, wij willen met het vlak fysiek en tactiel in contact treden! Wij redeneren daarbij als volgt. De gesloten vorm van het vlak impliceert mogelijkerwijs een ‘binnen’, dat zich voor onze ogen verborgen houdt. En dat ‘binnen’, denken wij, moet vroeg of laat op een of andere wijze naar buiten treden, bijvoorbeeld en bij voorkeur op het moment dat wij het wagen om het vlak, al is het maar even, aan te raken. Mocht zo’n bijna terloopse aanraking geen zichtbare gevolgen hebben, dan zijn wij vastbesloten om het contact tussen ons en het vlak te intensiveren.
    Het lijkt ons voor de hand te liggen dat, hoe hechter het contact tussen ons en het vlak wordt, des te ondubbelzinniger het vlak zich voor ons zal openstellen. Wanneer het tot een uitwisseling van plannen, ideeën en gedachten tussen ons en het vlak mocht komen, is het onze diepste wens in de gelegenheid te worden gesteld om het open vlak binnen te treden. HET GROTE VLAK zal zich dan niet meer als een gesloten front aan ons voordoen – een front dat een en al afwijzing uitdrukt – maar als een ruimtelijk open huis dat ons zal omhullen, beschermen en warmen.
    Gesterkt door deze redenering zetten wij ons nu daadwerkelijk in beweging. Eenmaal face-à-face met HET GROTE VLAK houden we opnieuw halt en besluiten de zaken – de zaken! – af te wachten. Er gebeurt niets. (Sciencefiction.) Wij besluiten opnieuw enkele schreden naderbij te komen en strekken uiterst behoedzaam onze vingers naar het vlak uit. Weer reageert het vlak niet en volhardt in zijn gesloten en roerloze staat. Wij aarzelen. Maar dan zetten we resoluut door en beroeren met de uiterste toppen van onze vingers het oppervlak van het vlak en maken een voelbaar, niet meer terug te draaien contact. Een niet meer terug te draaien contact! Oogcontact kunnen we nog verbreken door snel onze blik af te wenden, handcontact is onherroepelijk. (Zelfs de lichtste en meest terloopse vingerdruk kan soms als een gebalde vuist op de huid van de ander overkomen en daar als een onverhoeds uitgedeelde stomp worden ervaren ...)


Twee scenario’s


Op het moment dat wij voelbaar contact met HET GROTE VLAK maken, dienen zich voor wat hierna gaat volgen twee mogelijke scenario’s aan. Scenario I luidt dat enige reactie van het vlak uitblijft na dit eerste, uiterst summiere aanraken, zodat wij de toenaderingsoperatie met opgevoerde intentie zullen moeten voortzetten, tenminste als wij onverdroten aan ons plan willen vasthouden om het ‘binnen’ van het vlak te leren kennen. Volgens scenario II lopen de zaken zoals wij in stilte reeds gevreesd hebben en komt op het moment van onze aanraking het opgeladen ‘binnen’ van het vlak met een sprong vrij en slaat ons, aanrakers – om van ‘aanranders’ maar niet te spreken – met dodelijke kracht terug. Dan staat het vlak niet ‘zomaar’ in die woestijnachtige uitgestrektheid, maar onderhoudt het een verbinding met een voor ons niet waarneembare buitenwereld, waaraan het vlak zijn ongekende kracht ontleent. En die kracht wordt aangewend om elke poging om het vlak van buitenaf te openen, ondubbelzinnig en resoluut af te slaan. Met zijn geslotenheid beschermt het vlak mogelijk een ‘binnen’ dat er niet is omwille van ons, maar van een in zijn binnenste verborgen ‘plan’. Een plan dat zich in eerste instantie tegen al onze plannen wenst te keren, want waarom zou het vlak anders zo gesloten zijn als het nu op ons overkomt? En waarom zou het ons attaqueren op het moment dat wij zijn binnen willen leren kennen? Waarom ook, vragen wij ons af, staat het vlak niet uitnodigend voor ons open teneinde ons te bewegen om zijn binnen te betreden?
    Een voorbeeld van zo’n onverbiddelijk gesloten vlak – zo’n massieve monolithische verticaliteit – is de piramide van Cheops. Die piramide staat daar ook niet ‘zomaar’, weten wij sinds jaar en dag. Daarom is het niet ondenkbaar dat zij ondanks haar geslotenheid haar vermoedelijke binnenleven aan ons – wij die haar willen benaderen om een relatie met haar aan te gaan – op de lange duur en na veel aandringen van onze kant zal willen prijsgeven. Ooit zullen wij haar boodschap begrijpen en doorgeven aan derden. Gesterkt door dit ‘geloof’ gaan wij vastberaden tot handelen over. Wij stellen scenario’s op die ondubbelzinnig richting geven aan onze niet te stuiten voornemens om met dit immense piramidaalvormige vlak in contact te treden. Aan de hand van deze scenario’s ontwikkelen we ingenieuze penetratiemethoden om tot het diepste en meest geheime binnenste van de piramide door te kunnen dringen. Het is duidelijk: wij laten ons door niets ontmoedigen.
    Al deze pogingen zullen echter uiteindelijk vergeefs blijken, want ook deze piramide in haar hoedanigheid van GROOT VLAK – hoe concreet en feitelijk aanwezig ook – functioneert in de eerste plaats als abstract ‘teken’ en in de laatste plaats pas als ruimtelijk ‘bouwsel’. (Tekens dringt men niet binnen, maar beroert men aan hun oppervlakte met handen en ogen. Voor tekens houdt men halt. Dit geldt voor alle tekens, dus ook voor ruimtelijke stelsels van horizontale, verticale en diagonale vlakken die als ‘teken’ zijn ingericht en opgericht.)
    Voorlopig moeten wij concluderen dat de hierboven geschetste wereld met dat ene onverbiddelijk gesloten, afwijzende verticale vlak beslist niet de onze is. Integendeel. Een dergelijke wereld komt ons als uiterst vreemd en koud voor. Het is een wereld waarin wij niet kunnen leven bij ontstentenis van enige vorm van relatie en contact, en dus van enige vorm van uitwisseling van plannen en ideeën omtrent ons en ons bestaan ten opzichte van derden om ons heen.
 
Een superpositie

Deze vreemde, lege en afwijzende wereld met dat ene hoog oprijzende vlak op haar rug komt op slag tot leven zodra wij besluiten pal tegenover het vlak een tweede op te richten: niet te ver ervandaan en niet te dichtbij, maar op gepaste afstand. Onze opzet is de twee roerloze en tijdloze vlakken de mogelijkheid te bieden een ruimtelijke relatie met elkaar aan te gaan. Niet wij gaan een relatie aan met dat ene eenzame GROTE VLAK, maar wij mobiliseren hiervoor een tweede door ons in de wereld geroepen vlak dat onze aanwezigheid en onze positie zal vertegenwoordigen. Daartoe superponeren wij dat vlak frontaal tegenover het eerste. Door de aldus geschapen ruimtelijke relatie ontstaat er tussen beide vlakken een zekere ‘werking’, een schijnbaar surplus aan potentie, dat voordat het feitelijke superponeren had plaatsgevonden nog onnaspeurbaar was maar nu, nu het eenmaal zover is, uit het niets aan het daglicht treedt.
    Wij hebben met onze daad een oervorm in het leven geroepen die een blijvende, want plastisch-architectonische getuigenis zal vormen van onze intentie om tot communicatie met HET GROTE VLAK te komen. En die wil tot communicatie is zowel feitelijk en metaforisch, als fysisch en beeldend-kunstig van aard. HET GROTE VLAK mag dan weliswaar niet van deze wereld zijn, de door ons gewenste oerplastiek zoals die nu op het grote wereldvlak staat opgericht, is dat wel degelijk.
    Wij doen een stap terug, beschouwen de door ons geconstrueerde superpositie van terzijde en wikken en wegen. Wij denken na en beseffen dat we voor een fundamentele en beslissende keuze staan. Wij moeten besluiten hoe nu verder te handelen. Zeker op dit cruciale moment kunnen wij onmogelijk op onze schreden terugkeren. Dat zou uitgelegd kunnen worden als een poging de oerplastiek te deconstrueren. Maar waar zouden we ons dan mee bezig houden: met Zerstörung, der Konstruktion zuliebe, om met Paul Klee in 1912 te spreken? Is dàt onze methode om tot constructie en communicatie te komen: door deconstructie van het zojuist geconstrueerde?

 
Twee richtingen
 

Een besluit nemen om verder te handelen is één, hoe verder te handelen is twee. Opnieuw dienen zich twee scenario’s aan om een relatie aan te gaan met onze oerplastiek, het ‘grote vlakkenpaar’. Volgen wij het eerste scenario, dan geven wij aan een diep in ons sluimerend verlangen toe om de oerplastiek als feit in de wereld te zien functioneren en niet als teken. Wij wensen onze ‘zachte’ intuïtieve voorstelling van hoe de oerplastiek in de wereld zal werken in harde feiten om te zetten. De vraag is alleen wat ‘omzetten in harde feiten’ en ‘werken’ hier precies betekent. Wordt de oerplastiek letterlijk hard, als steen, en gaat ze als hard artefact voor ons werken om de lege wereld voor onze doeleinden in te richten? En hoe zit het dan met dat op slag tot leven komen van de ‘dode wereld’ op het moment dat wij besloten een tweede vlak ten opzichte van HET GROTE VLAK te superponeren? Wat houdt die werking – een werking die kennelijk dat tot leven komen heeft veroorzaakt – precies in?
    Een vraag bij dit alles is hoe wij ons van een mogelijke werking tussen beide vlakken een zachte voorstelling hebben kunnen vormen. Zijn wij ons van die werking bewust geworden op het moment dat wij de superpositie-operatie voltrokken, of drong die werking pas daarna tot ons door en deden wij ter plekke een ontdekking die ons volledig overviel en verraste? Hebben wij op dat moment iets in de praktijk ervaren, waarvan wij in onze gedachten slechts een intuïtieve voorstelling – een flauw vermoeden – hadden? En is die intuïtieve voorstelling door die werking in ons tot leven gekomen, ongeveer zoals in een toekomstige moeder een toekomstig kind tot leven komt? Maar hoe zijn we dan aan die voorstelling – ons kind in aanleg – gekomen, voordat wij enige ervaring in die richting hadden opgedaan? Wie heeft die voorstelling in ons binnenste geïmplanteerd, hoe is die kennelijke conceptie tot stand gekomen, en wanneer?


Techniek


Indien wij deze kwestie laten voor wat ze is, komen we tot de volgende overweging. Wij zien en ervaren de werking zoals die tussen het vlakkenpaar heerst inderdaad als werk, als vorm van werken. Wij zijn ons van dit werken gaandeweg bewust geworden en zien nu in hoe dit werken uiteindelijk kan leiden tot het omvormen van de lege wereld tot een volle en ‘harde’. Een wereld die dan gevuld zal zijn met technische bouwwerken: constructies die op hun beurt door ons ingezet kunnen worden voor de productie en vermenigvuldiging van nog grotere aantallen werken, iets waarin wij zullen volharden tot de wereld verzadigd zal zijn van onze producten en nergens meer ‘leeg’ is. Als we zo wensen, denken en doen, bedrijven wij techniek. Het bedrijven van techniek betekent zachte voorstellingen omzetten in harde feiten. Die voorstellingen betreffen de werking tussen de vlakken van de superpositie onderling, maar ook tussen de superpositie als geheel en de omhullende wereld. Door toe te geven aan onze wens om techniek te bedrijven, kan een in ons zachte denken sluimerend inzicht over de werking van de technische superpositie letterlijk naar buiten breken, richting ‘harde wereld’. Wij ervaren dit doorgebroken inzicht als navenant helder, krachtig en ‘hard’. Het stelt ons in staat in te zien hoe de superpositie in de wereld zal werken en doorwerken, ja, we zien dit werken bijna letterlijk voor ons. Het doorgebroken inzicht maakt het ons mogelijk onze vroegere zachte ideeën in harde, gematerialiseerde vormen en ‘technieken’ in de wereld te plaatsen.


Kunst

Het andere scenario leidt ons in precies de tegenovergestelde richting: niet richting techniek, maar richting kunst. Wij, constructeurs, staan onmiddellijk na het oprichten van de oerplastiek voor een fundamentele en beslist onomkeerbare keuze: willen wij de superpositie in de wereld een technische functie verlenen en zijn we dus voornemens met haar techniek te bedrijven, of hebben wij een meer beeldend-plastische taak van haar op het oog en wensen wij haar als kunst te beschouwen? Tussen deze twee uitersten gaat het, een tussenweg is er niet. Het is een van beide, we kunnen niet voor twee tegengestelde richtingen tezamen kiezen. (Tenzij ons een meer architectonische toepassing voor ogen staat die het midden houdt tussen beide en waarbij zowel technische als kunstige elementen in het spel zijn.) Het kiezen voor de technische richting impliceert dat wij de oerplastiek in technische zin in de wereld willen vermenigvuldigen en verspreiden. Wensen wij haar daarentegen als een abstractie op te vatten en niet als een technisch artefact, dan behandelen wij haar als een abstract teken dat naar een objectloze, immateriële wereld verwijst. Onze voorstelling daarvan is ‘zacht’, berust op gevoel en stoelt op geloof. Wij denken dan in termen van kunst.

De onmiddellijke consequentie van het tweede scenario is dat wij de superpositie van beide vlakken in de lege wereld niet ervaren als een beginsel dat mateloos expansief en dynamisch gemultipliceerd, gemodificeerd en verspreid moet worden, maar integendeel: als een in diepe rust verkerende beeldende ordonnantie. Als een eenmalig en uniek kunstwerk dat uitsluitend vraagt om in contemplatieve rust te worden beschouwd. Op het moment dat wij ons voor de oerplastiek opstellen, laden wij het op met een beeldende werking die dan op gang komt en niet zal aflaten te ‘werken’. Deze werking is een direct gevolg van ons opstellen: de wijze van opstellen bepaalt het kunstwerk. Dat opstellen kan zelfs worden opgevat als onze bijdrage aan het bestaansrecht van het kunstwerk: het bepaalt mede de kwaliteit ervan. Onze manier van opstellen is een integraal onderdeel van de aanwezigheid van het kunstwerk in de wereld.

In de zowel topografische als culturele leegte van de wereld waarbinnen de oerplastiek zich geordonneerd ophoudt, hebben wij met onze wijze van opstellen een slagorde gecreëerd die het beschouwen van kunst verheft tot ‘kunst-werken’. Deze slagorde dicteert – en dat geldt voor het waarnemen van alle kunstwerken, beeldende zowel als muzikale –: híer het kunstwerk, dáár de waarnemer, en daaromheen de lege wereldruimte. In deze slagordelijke opstelling betrekt het ware kunstwerk de lege wereldruimte bij de zijne en blijkt transparant, en wel in de zin van ‘mantelloos’ en ‘open’. De aandachtige beschouwer kan zo’n open kunstwerk als het ware binnentreden, zonder daarbij zijn waarnemingsplaats op te hoeven geven. Hij hoeft niet om het kunstwerk heen te wentelen, want het kunstwerk wentelt zich voor de ogen van de waarnemer. Aldus ontvouwt ware kunst ruimte: zij schept ruimte. Daarmee is ook duidelijk geworden waarom het eermalige GROTE VLAK zo gesloten op ons overkwam. Het was in alle betekenissen van het woord niet áf, in de zin van voltooid. Er viel niets binnen te treden. (Slechts in de wereld van de sciencefiction blijken dergelijke monolithische vlakken en blokken toch betreedbaar, maar dat zijn verhalen die op fictieve verlangens berusten en niet, zoals in ons geval, op harde feiten.)

Document Actions
Mailinglist: Subscribe to the English or Dutch version.

Follow usfacebook_16.png twitter_16.png youtube_16.png Favicon Vimeo googleplus
Related Items
Dick Raaijmakers website

Website about Dick Raaijmakers' Monografie, which was online from 2008 – 2012.

Three excerpts from Dick Raaijmakers' Monografie

Three excerpts from Dick Raaijmakers' Monografie, which were available from 2008 – 2012 on the ...

Dick Raaijmakers Monografie, speciale editie

Monografie over het werk van de pionier van de Nederlandse elektronische kunst.

"Dick Raaymakers: A Monograph" wins AICA "Dick Raaymakers: A Monograph" wins AICA

"Dick Raaymakers: A Monograph," published by V2_ in 2008, has been awarded the AICA Certificate. ...

Dick Raaijmakers monografie

Monografie over het werk van de pionier van de Nederlandse elektronische kunst.

Dick Raaymakers: A Monograph

Monograph on the pioneer of electronic music Dick Raaymakers.

Dick Raaymakers

Dick Raaymakers (NL) was a pioneer in electronic and tape music.

AICA-Oorkonde voor "Dick Raaijmakers: Monografie" AICA-Oorkonde voor "Dick Raaijmakers: Monografie"

De door V2_ in 2007 uitgegeven monografie van Dick Raaijmakers is onderscheiden met de ...

The Evening of Paul Koek on Dick Raaijmakers Apr 15, 2007 08:00 PM

An evening curated by Paul Koek about Dick Raaymakers, part of DEAF07.

Elmer Schönberger

Elmer Schönberger (NL) is a musicologist, composer and writer.

Homage to Dick Raaymakers Jun 03, 2011 08:30 PM

SPSound presents: Homage to Dick Raaymakers. Kees Tazelaar, Johan van Kreij and Ensemble 306 will ...

Dick Raaymakers wins Art+Technology Award 2011 Dick Raaymakers wins Art+Technology Award 2011

Composer and theatre maker Dick Raaymakers is to receive the Witteveen+Bos Art+Technology Award ...

Press Release November 3, 2008

V2_Publishing is proud to announce that the English-language version of its monograph on the Dutch ...

Presentation of Dick Raaymakers: A Monograph Jan 27, 2008 03:00 PM

Book Presentation: "Dick Raaijmakers Monografie" with readings by Arjen Mulder and Kees Tazelaar, ...

Intona Oct 17, 1992 09:00 PM

"Intona: Dodici manieri di far tacere un microfono" by Dick Raaijmakers

Dick Raaijmakers (1930–2013)

The great artist, composer, theatre maker, machine builder, poet, and thinker Dick Raaijmakers has ...

more ...
 
Personal tools
Log in