35
years
v2_
 

Het machinieke phylum

Dutch translation of Manuel DeLanda's essay for "Technomorphica" 1997.

Een belangrijke kwestie die speelt bij filosofische analyses van technologie draait om de vraag hoe innovatie het best kan worden geconceptualiseerd. Je kunt je bij voorbeeld afvragen of mensen echt in staat zijn iets nieuws te creëren, of dat we alleen maar eerder gedefinieerde technologische mogelijkheden verwerkelijken. De vraag naar het ontstaan van het nieuwe is niet alleen van belang bij het denken over door mensen gemaakte machines (zowel fysiek als conceptueel) maar meer in het algemeen bij het denken over de machinaliteit van levende wezens zoals die door evolutionaire processen zijn ontstaan. Kan er iets werkelijk anders ontstaan tijdens de evolutie, of zijn evolutionaire processen niets meer dan het zich voltrekken van mogelijke uitkomsten die tevoren vastliggen?

Rond de vorige eeuwwisseling heeft de Franse filosoof Henri Bergson een aantal teksten geschreven waarin hij kritiek levert op het onvermogen van de wetenschap in die dagen om iets werkelijk nieuws en werkelijk anders te bedenken. Het eerste obstakel was natuurlijk de mechanistische en lineaire opvatting over causaliteit en het rigide determinisme dat dat met zich meebracht. Immers, als de hele toekomst al besloten ligt in het verleden, als de toekomst slechts die modaliteit van de tijd is waarin tevoren vastgelegde mogelijkheden werkelijkheid worden, dan is echte innovatie niet mogelijk. Om die fout te vermijden, meende hij, moeten we ernaar streven de toekomst te zien als waarlijk open, waarlijk onbeslist en het verleden en het heden als zijnde zwanger van niet alleen mogelijkheden die realiteit kunnen worden, maar ook van virtualiteiten die actualiteit kunnen worden. De eerste zienswijze gaat uit van een proces waarin één bepaalde structuur uit een aantal vooraf vastgestelde vormen realiteit wordt, de tweede daarentegen gaat uit van een proces waarin een openstaand probleem op verschillende manieren wordt opgelost en waarbij de vormen pas ontstaan in het proces van het streven naar een oplossing. 1

1. Gilles Deleuze, 'Bergsonism', Zone Books, New York 1988, p. 97.

In de natuurkunde kennen we het verschijnsel dat een populatie van onderling agerende fysieke eenheden, zoals moleculen, met energie kan worden gedwongen tot georganiseerd collectief gedrag. Met andere woorden: kan worden ingeperkt tot een vorm waarin vrije energie geminimaliseerd is. Hier is het 'probleem' (voor die populatie van eenheden) om dit punt van minimale energie te vinden. Dit wordt anders opgelost door moleculen in zeepbellen (die collectief de oppervlaktespanning minimaliseren) dan door moleculen in kristalstructuren (die collectief de bindende energie minimaliseren). Zo kunnen er nog vele andere structuren worden geopperd ter oplossing van het 'vind-het-minimumpunt'-probleem, die elk dit virtuele punt op uiteenlopende wijze zullen actualiseren. Sterker nog, deze uiteenlopende manieren zijn niet tevoren gegeven, maar worden per geval bepaald door de fysieke aard van de met elkaar agerende eenheden. Het aantal mogelijke structuren dat op deze manier ontstaat, ligt niet vast. Het wordt op ieder mogelijk punt alleen beperkt door de beschikbare variatie aan interagerende eenheden.

De inzichten van Bergson zijn herontdekt door enkele filosofen, met name door Gilles Deleuze en Félix Guattari, die er ook in zijn geslaagd enkele problematische aspecten ervan te overwinnen. Om te beginnen hing Bergson een late vorm van 'vitalisme' aan, waarin een rigide scheiding bestaat tussen de wereld van organisch leven en menselijk bewustzijn – waar innovatie kan plaatsvinden, en de wereld van het puur materiële – waar herhaling van steeds hetzelfde aan de orde is. Voor Deleuze/Guattari daarentegen bezitten alle domeinen van de werkelijkheid, inclusief de geologie, virtuele morfogenetische capaciteiten en potenties. Dit betekent echter niet dat deze potenties gelijkelijk zijn verdeeld over alle domeinen. In de geologische, biologische en culturele werelden zien we populaties van onderling agerende eenheden die sterker geneigd zijn tot zelf-organiserende processen, en deze speciale populaties vormen inderdaad de sleutel tot een theorie van innovatie. Maar om hun werkelijke belang te begrijpen, moeten we af van het 'organisch chauvinisme' dat Bergson ertoe bracht ze te beschouwen als zijnde 'in essentie' verbonden met leven en bewustzijn. Vooral metalen vormen volgens Deleuze en Guattari een zeer speciaal soort populatie:

"wat metaal en metallurgie laten zien, is een leven dat eigen is aan materie, een vitale staat als zodanig, een materieel vitalisme dat zich ongetwijfeld overal voordoet, maar dat gewoonlijk verborgen of bedekt is, onherkenbaar gemaakt, gedissocieerd door het hylomorfische model. Metallurgie is het bewustzijn of het denken van de materie-stroom, en metaal is het correlaat van dit bewustzijn. Zoals het panmetallisme het stelt, is metaal de pendant (co-extensieve) van alle materie, en is alle materie de pendant van metallurgie. Zelfs al het water, alle gras- en houtsoorten, alle dieren worden bevolkt door zouten of mineralen. Niet alles is metaal, maar metaal is wel overal – Het machinieke 2 phylum is metallurgisch, of heeft op z'n minst een 'metalen hoofd' dat dient als ambulante sonde of richtingzoeker." 3

2. noot van de redactie: er is gekozen om het franse neologisme 'machinique' (Gilles Deleuze and Félix Guattari), dat in het Engels vertaald wordt met het neologisme 'machinic' in het Nederlands te vertalen met het neologisme 'machiniek'.

3. Gilles Deleuze and Félix Guattari, 'A Thousand Plateaus', University of Minnesota Press,
1980, p. 409.

Diverse termen in dit citaat behoeven nadere uitleg. Ten eerste is het 'hylomorfisch model' waarnaar zij verwijzen, een model van de genese van vorm als uitwendig ten opzichte van materie, als van buitenaf opgelegd, als een bevel aan het materiaal, dat wordt beschouwd als inert en dood. Of die vormen nu afkomstig zijn uit het brein van God, of van essenties die een eeuwige hemel bewonen, of van een militair ingenieur in een achttiende eeuws arsenaal, doet niet ter zake. Dit model impliceert een opvatting van materie die we hebben geërfd van de Griekse filosofen (het beste voorbeeld is waarschijnlijk het onderscheid dat Aristoteles maakt tussen materiële en causale oorzaken) en toch is het een opvatting die volslagen wezensvreemd is aan de geschiedenis van de technologie tot de achttiende eeuw, vooral wat betreft de zeer oude tak die bekend staat als 'metallurgie'. Voor de smid "is het geen kwestie van het opleggen van een vorm aan materie, maar van het 'uitwerken' van een steeds rijker en consistenter materiaal, teneinde beter gebruik te kunnen maken van steeds sterkere krachten." 4

4. ibid. p. 329.

Met andere woorden: de smid behandelde metaal als actief materiaal dat zwanger was van morfogenetische capaciteiten, en zijn rol bestond erin daaraan een vorm te ontlokken, het ontstaan van een vorm te begeleiden door middel van een aantal processen (verhitten, harden, afkoelen, hameren); een vorm waarover het materiaal zelf ook iets te zeggen had. In de terminologie van het begin van dit essay: hij voert niet zozeer van tevoren vastgelegde mogelijkheden uit, maar eerder actualiseert hij virtualiteiten langs
divergerende lijnen.

Historici hebben duidelijk het belang van metalen in de geschiedenis van de technologie onderkend. Ze hebben zelfs de naam van metalen verbonden aan belangrijke perioden, zoals het Bronzen of het IJzeren Tijdperk. Het zou echter een vergissing zijn om te denken dat de relevantie van metalen voor de kwestie van innovatie voortvloeit uit menselijke interventie. Om dit in te zien, moeten we een tweede duistere term uit bovenstaand citaat uitleggen: het 'machinieke phylum'. Waarnaar verwijst deze term en wat wordt er bedoeld met de uitspraak dat hij een 'metalen hoofd als sonde' heeft? Laten we de laatste vraag eerst beantwoorden. Het belangrijkste daarbij is om metalen te beschouwen als de krachtigste katalysators van deze planeet. (Met als enige uitzondering organische eiwitten, maar deze hebben zich ontwikkeld om dat vermogen te krijgen.) Een katalysator is een stof die een chemische reactie kan versnellen of vertragen zonder daarbij zelf een verandering te ondergaan. Een katalysator grijpt dus in de werkelijkheid in, veroorzaakt effecten, veroorzaakt ontmoetingen die anders niet zouden hebben plaatsgevonden, en wordt toch niet verteerd of permanent veranderd tijdens deze interacties, waardoor hij elders verder kan gaan met het veroorzaken van effecten.

We kunnen ons voorstellen dat onze planeet, voordat er levende wezens verschenen, werd bevolkt door metalen deeltjes die reacties katalyseerden terwijl ze door de Aarde stroomden, waarbij ze in zekere zin de planeet de kans gaven om een ruimte van mogelijke chemische combinaties te 'exploreren'. Ofwel, de planeet de kans gaven blindelings deze ruimte af te tasten, daarbij uiteindelijk stuitend op proto-levende wezens die, naar de mening van vele geleerden thans, waarschijnlijk bestonden uit autokatalytische lussen van materiaal, dat wil zeggen proto-metabolismes. 5

5. Stuart Kauffman, 'The Origins of Order. Self-Organization and Selection in Evolution', Oxford University Press, New York 1993, chapter 3.

In die zin zijn metalen dus 'sondes'. Maar wat is dan het 'machinieke phylum'? Voor een antwoord op die vraag dienen we nog één element toe te voegen, waarop ik al heb gezinspeeld toen ik het had over "het aftasten van een ruimte van combinaties". Zoals veel onderzoekers inmiddels beseffen, is een cruciaal ingrediënt voor het ontstaan van innovatie op elk niveau van de werkelijkheid de 'combinatorische productiviteit', de mate en mogelijkheid om verbindingen aan te gaan van de elementen op het bijbehorende subniveau, dus op het niveau van de componenten van de structuren in kwestie. Niet alle componenten bezitten dezelfde 'productiviteit'. Zo hebben bijvoorbeeld elementaire deeltjes een relatief lage productiviteit, en vormen zij slechts 92 mogelijke atomen op deze planeet, al kunnen we op kunstmatige wijze nog enkele trans-urane elementen stabiliseren, zoals gebeurd is met Plutonium tijdens de Tweede Wereldoorlog. Kijken we echter op één niveau hoger, waar moleculen worden gevormd uit atomen, dan is hetaantal mogelijke combinaties immens, en in feite niet meer te overzien. Zo is ook het aantal celtypes (zenuw, spier, bot enzovoort) op Aarde relatief klein (het zijn er een paar honderd), maar is het aantal organismes dat uit combinaties van deze elementen kan worden gevormd wederom immens. Zoals de Hongaarse fysicus George Kampis opmerkte: "deze notie van immensiteit vertaalt zich in een onreduceerbare variatie van de samenstellende soorten. Dit soort immensiteit is een eigenschap die rechtstreeks verband houdt met complexiteit, want het gaat over variatie en heterogeniteit, en niet domweg over getalsmatige veelheid." 6

6. George Kampis, 'Self-Modifying Systems in Biology and Cognitive Science. A New Framework for Dynamics, Information and Complexity', Pergamon Press, Oxford, England, 1991, p. 235.

Waar het hier om gaat is dat de heterogeniteit van componenten een hoofdingrediënt is van combinatie-rijkheid en daarmee van een toekomst die in essentie open is. Een ander belangrijk bestanddeel vormen de processen waarin heterogene elementen samenkomen; de processen die diversiteit als zodanig articuleren. Dit nu is waaraan Deleuze en Guattari dachten toen ze de term 'machiniek' introduceerden: het bestaan van processen die inwerken op een aanwezig stelsel van alleen maar co-existerende, heterogene elementen en die deze elementen samenbrengen en consolideren in een nieuwe entiteit. In hun woorden: "wat wij 'machiniek' noemen, is juist deze synthese van heterogeniteiten als zodanig." 7

7. Gilles Deleuze and Félix Guattari, 'A Thousand Plateaus', op. cit. p. 330.

'Phylum', het tweede deel van de term, ontlenen zij aan de biologie, waar dit staat voor de evolutionaire categorie vlak onder de 'Rijken' (zo behoren wij als gewervelden tot het phylum 'chordata'), maar die ook het idee aanduidt van een gemeenschappelijk lichaamsontwerp, dat door verschillende bewerkingen (embryologisch vouwen, oprekken, trekken en duwen) een verscheidenheid aan concrete ontwerpen voor organismes kan opleveren. Het idee van een 'machiniek phylum' zou dan inhouden dat wij naast onze biologische afstamming ook verwantschap kennen met niet-levende schepsels (wind en vlammen, lava en stenen) door middel van gemeenschappelijke 'lichaams-ontwerpen', waaraan eendere zelf-organiserende en combinerende processen te pas komen. Alsof een en hetzelfde materiële 'phylum' kan worden 'gevouwen en uitgerekt' om alle verschillende structuren van ons universum te omvatten.

Om dit laatste punt plausibel te maken, moeten we nog enkele begrippen introduceren. Hierboven zagen we dat, om het Bergsoniaanse inzicht in de noodzaak om de toekomst als open te zien teneinde werkelijke innovatie te conceptualiseren, we verder moesten kijken dan de tweedeling die hij postuleerde tussen levende wezens (die een 'élan vital' bezitten) en inerte materie. Zo moeten we ook, om de processen van zelforganisatie te begrijpen (het 'phylum') die stenen en dieren, uurwerken en stoommachines wellicht gemeenschappelijk hebben, verder kijken dan Bergsons tweedeling tussen determinisme en toeval. We zullen, om met Deleuze en Guattari te spreken, een 'geavanceerd determinisme' moeten introduceren tussen deze twee uitersten, om te vermijden dat we alle creatieve krachten die we ooit aan het uurwerk-determinisme toekenden, nu aan het toeval gaan toekennen.

Deze tussengelegen vormen van determinisme, die het midden houden tussen de twee extremen van een compleet fatalisme, gebaseerd op simpele en rechtlijnige oorzakelijke verbanden, en een compleet indeterminisme waarin causaliteit geen enkele rol speelt, duiken op in fysieke interacties waarbij non-lineaire oorzakelijke verbanden aan de orde zijn. De bekendste voorbeelden van non-lineaire causaliteit zijn de causale lussen die we 'feedback-lussen' noemen, en waarin elkaar wederzijds stabiliserende oorzaken kunnen voorkomen, zoals in het negatieve feedback-proces van een thermostaat, of elkaar wederzijds versterkende oorzaken, zoals in het positieve feedback-proces van explosies of in de spiraal van een wapenwedloop. Deze vormen van kringvormige causaliteit waarin de effecten weer effect uitoefenen op hun oorzaken, zijn op hun beurt weer een voorwaarde voor het bestaan van vormen van determinisme die plaatselijk en meervoudig zijn, in plaats van mondiaal en uniek. (De andere voorwaarde is een energiestroom die zich in en uit het fysieke proces in kwestie beweegt). Deze 'geavanceerde' determinismes zijn de zogenoemde 'attractoren' die het dynamische gedrag van het proces beheersen, endogeen gegenereerde stabiele toestanden waardoor sommige structuren spontaan kunnen opkomen uit een relatief vormloze dynamiek.

Deze endogeen gegenereerde stabiele toestanden kunnen statisch zijn (maar toch meervoudig en dus plaatselijk, aangezien een systeem kan schakelen tussen verschillende bestemmingen) maar ook dynamisch, waardoor simpeler vormen van stabiele cycli kunnen ontstaan of complexere vormen van quasi-periodiek gedrag, zoals in deterministische chaos. 8

8. Ilya Prigogine and Isabelle Stengers, 'Order out of Chaos. Man's New Dialogue with Nature', Bantam Books, New York 1984. (vert. 'Orde uit chaos. De nieuwe dialoog tussen de mens en de natuur', Bert Bakker, 1985)
De wiskunde van attractoren en bifurcaties worden het best uitgelegd in: Ian Stewart, 'Does God Play Dice: The Mathematics of Chaos', Basil Blackwell, Oxford, 1989, chapter 6. (vert. 'Speelt God een spelletje?: de structuur van de chaos', Spectrum, 1991).

Daarbij kan een en dezelfde attractor worden geconcretiseerd in meerdere verschillende fysieke systemen: door wind die in een convectiecel stroomt, door het spontane ritmische gedrag van onderdelen van radiozenders of radarmachines, door periodieke gedragingen in elektronische circuits of in chemische reacties en zelfs door het gedrag van een economisch systeem in een conjunctuurcyclus. In de terminologie waarmee ik dit essay begon: attractoren zijn de virtuele vormen die een probleem stellen (in dit geval het vinden van het energetisch meest gunstige ritme) en de oplossingen geven voor dit probleem in natuurlijke, technologische of economische systemen; actualiseringen van deze virtuele cyclus langs divergerende lijnen. Als de inzichten van de non-lineaire dynamiek correct blijken te zijn en dit periodieke gedrag inderdaad in dit opzicht universeel is, kunnen attractoren een goede basis vormen om een 'universeel phylum' te definiëren, een enkel stelsel van machinieke bronnen die door alle vormen worden gedeeld, zowel natuurlijke als kunstmatige vormen.

Het begrip 'machiniek phylum' is bedacht in een poging om de genese van vorm (in geologische, biologische en culturele structuren) op te vatten als zijnde exclusief gerelateerd aan immanente capaciteiten van de stromen materie-energie-informatie en niet aan enige transcendente factor, of die nu platonisch is of goddelijk (bijvoorbeeld: het hylomorfische schema). Endogeen gegenereerde stabiele toestanden, die vele verschillende fysieke concretiseringen kunnen hebben, verschaffen ons tenminste enige immanente bronnen die voor een dergelijke theorie nodig zijn. Bovendien, aangezien attractoren over het algemeen niet uniek zijn (dat wil zeggen dat een systeem over meerdere stabiele toestanden tegelijk kan beschikken) vormen zij een context waarin verandering een 'creatieve' rol kan spelen, door een systeem op min of meer willekeurige wijze over te schakelen van de ene deterministische toestand naar een andere. En op bepaalde kritieke intensiteitspunten (zogenaamde bifurcaties), waar een stelsel van attractoren overgaat in een ander stelsel, kunnen toevalsfluctuaties ook een rol spelen door het systeem van de ene baan in een andere te duwen, waardoor het indeterminisme weer een andere rol kan spelen.

Deleuze en Guattari, die attractoren en bifurcaties 'singulariteiten' noemen (en de opkomende holistische eigenschappen waartoe deze stabiele toestanden aanleiding geven 'elementen van expressie'), hebben geopperd dat de geschiedenis van de technologie ooit weleens herschreven zou kunnen worden als de geschiedenis van de vaklieden en metaalkundigen die de singulariteiten in het machinieke phylum volgen, enkele van deze 'virtuele machines' uitkiezen om te actualiseren, nieuwe phyla te scheppen, nieuwe afstammingen van technologische objecten:

"Laten we terugkeren naar het voorbeeld van de sabel, of liever van het hoogovenstaal. Dit impliceert de actualisering van een eerste singulariteit, namelijk het smelten van het ijzer bij hoge temperatuur; dan komt de tweede singulariteit, de opeenvolgende ontkolingen; met deze singulariteiten hangen elementen van expressie samen – niet alleen de hardheid, scherpte en afwerking, maar ook de golvingen of patronen die de kristallisatie heeft gevolgd en die voortkomen uit de interne structuur van de mal. Het ijzeren zwaard wordt met geheel andere singulariteiten geassocieerd omdat het wordt gesmeed, en niet gegoten of geperst, met water wordt gekoeld en niet met lucht, per stuk wordt geproduceerd en niet in aantallen tegelijk; de elementen van expressie van het zwaard zijn noodzakelijkerwijs anders omdat het eerder doorboort dan houwt, eerder van voren aanvalt dan van opzij – We kunnen spreken van een machiniek phylum, of van een technologische afstamming, als er sprake is van een samenstelsel van singulariteiten die verlengd kunnen worden door bepaalde bewerkingen en die samenkomen en ook de bewerkingen doen samenkomen, in een of meerdere voor hen specifieke elementen van expressie. Als de singulariteiten of bewerkingen uiteenlopen, moeten we twee verschillende phyla onderscheiden: dat gaat nu inderdaad juist op voor het ijzeren zwaard, dat afstamt van de dolk, en de stalen sabel, die afstamt van het mes – Maar het is ook mogelijk de analyse te laten plaatsvinden op het niveau van singulariteiten die verlengd kunnen worden van het ene phylum naar het andere, en de twee phyla samen te voegen. Het uiterste is een enkele filogenetische afstamming, een enkel machiniek phylum, ideaal voortdurend: de stroom van materie-beweging, de stroom van materie in continue variatie, die singulariteiten en elementen van expressie overdraagt." 9

9. Gilles Deleuze and Félix Guattari, 'A Thousand Plateaus', op. cit. p. 406.

Het is duidelijk dat er nog veel moet gebeuren om deze ideeën toe te passen in andere, complexere delen van de technologische geschiedenis. Daartoe zouden we de verschillende 'soorten' machines (balansen en hefbomen, uurwerkmechanismes, motoren en machines, elektriciteits-, telefoon- en computernetwerken) moeten zien als non-lineaire dynamische systemen, waarvan sommige zich verlaten op de simpelste vormen van singulariteiten (balansen, uurwerken) terwijl andere te maken hebben met meer complexe cycli en bifurcaties (stoommotoren) en weer andere zelfs nog ingewikkelder dynamisch gedrag vertonen (netwerken). We zouden dan ook verder moeten kijken dan de dynamiek van specifiek technologische samenstelsels naar het terrein van de non-lineaire combinatoriek, om te ontdekken hoe de componenten van deze samenstelsels in de verschillende combinaties zijn terechtgekomen, en waarom bepaalde componenten (slingers, tandraderen, Carnot cycli, transistors) een grotere combinatieve productiviteit hebben dan andere.

Afgezien daarvan zal het schrijven van een geschiedenis van technologische innovatie zoals die door Deleuze en Guattari wordt geopperd nog enkele conceptuele doorbraken vergen, met name om het 'hylomorfische schema' (vorm die van buitenaf aan het materiaal wordt opgelegd) af te schudden en, wat nog belangrijker is, om een historisch verslag te geven over hoe het komt dat dit model ons denken over de genese van vorm is gaan beheersen. Ik heb elders wel geschreven dat militaire instituten, beginnend bij hun bijdragen in de achttiende eeuw aan het verspreiden van technieken voor massaproductie, een van de belangrijkste oorsprongen zijn van de huidige overheersing van het hylomorfisch model. 10

10. Manuel DeLanda, 'War in the Age of Intelligent Machines', Zone Books, New York 1992.

Als Deleuze en Guattari gelijk hebben als ze beweren dat het juist dit model is dat het machineke phylum 'onzichtbaar' of 'onherkenbaar' maakt, is er wellicht meer nodig dan theoretische innovaties om de technologische evolutie weer terug te koppelen naar haar oude bronnen van inspiratie en vitaliteit. De werkelijkheid zelf, die zo homogeen is geworden na ruim twee eeuwen van militaire uniformering, moet opnieuw worden geïnjecteerd met heterogeniteit; en onze lichamen, die zo onbedreven zijn geraakt na twee eeuwen van militaire routine-oplegging, moeten opnieuw de kunst en de vaardigheid leren deze heterogene elementen tot nieuwe combinaties te 'hacken'.

Document Actions
Document Actions
Personal tools
Log in