35
years
v2_
 

Het museum van de zon

Dutch translation of an essay by Paul Virilio, for "Technomorphica" 1997.

SEE IT NOW

"Omdat de schilderkunst niet beschikt over de werkelijkheid van het licht, kan ze geen misbruik van ons maken", schreef Schlegel in de vorige eeuw. 1 De vraag rijst hoe het in onze tijd dan gesteld is met het misbruik van de beelden van de live televisie: doordat de informatie verzonden wordt met de snelheid van het licht bezitten deze beelden wel 'het ware licht', dat wil zeggen de real-time, die de waargenomen scènes verlicht met een realiteitseffect.

1. 'Les Tableaux', gepubliceerd in Atheneum, tijdschrift van August Wilhelm Schlegel en Friedrich Schlegel, Berlijn, 1799.

Waar de schilderkunstige voorstelling niet verder kwam dan voor te wenden dat zij de directe verlichting compenseerde ? iedere figuur verscheen in een tijd die haar deed verschillen van zichzelf ? daar is de televisie, dankzij de live technieken, wel in staat om het licht van het ogenblik weer te geven. De live televisie bezit daarmee plotseling een geloofwaardigheid, die de schilderkunst, de fotografie, en zelfs de film nooit gekend hebben. Vandaar komt een laatste 'horizon van de zichtbaarheid' tot stand waaraan de perspectivische diepte van de menselijke omgeving onderworpen wordt. De live televisie werpt echter ook licht op haar eigen ultieme grens, namelijk de absolute snelheid van het licht. De mens maakt niet langer alleen gebruik van de relatieve snelheid van dieren of machines, maar ook van de snelheid van de elektromagnetische golven. Hij beseft echter niet, dat hij hier op een MUUR stuit, die niet te doorbreken is. We hebben hier niet meer te maken met de geluidsmuur, of de warmtemuur, die regelmatig wordt gebroken door supersonische of hypersonische voertuigen, maar met de lichtsnelheid, de uiterste grens van een energetische intensiteit, die iedere menselijke handeling en waarneming definitief begrenst.

We vergeten maar al te vaak dat een gebeurtenis die hier en nu plaatsvindt, zich tegelijkertijd afspeelt 'in het licht' van een positieve of negatieve versnelling. Zo heeft een toevallige ontmoeting tussen twee voorbijgangers die elkaar op het trottoir aanspreken niet hetzelfde karakter als de ontmoeting tussen twee automobilisten, die elkaar in het voorbijgaan begroeten met hetzelfde trottoir als ijkpunt van de plaats van de ontmoeting ? Stelt u zich eens voor dat de snelheid van de auto's, die elkaar 'hier en nu' passeren drastisch verhoogd zou worden. De ontmoeting tussen de chauffeurs zou dan niet plaatsvinden. Hun wederzijdse onzichtbaarheid zou niet veroorzaakt worden door een fantoomachtige afwezigheid van hun lichamen, maar uitsluitend omdat hun wederzijdse waarneming niet lang genoeg duurde. De ontmoetingen van de voetgangers en de elkaar passerende automobilisten vinden dus wel degelijk plaats in het hier en nu, maar het zijn evenzeer gebeurtenissen, die zich afspelen 'in het licht'. We kunnen ook zeggen dat deze gebeurtenissen zich afspelen 'in snelheid', een relatieve snelheid ten opzichte van de verschillende bewegende voorwerpen.

Echter, wanneer twee mensen via interactieve technieken met elkaar communiceren in real-time, dan wordt het directe, face to face, contact mogelijk gemaakt door de absolute snelheid van de elektromagnetische golven, en wel op een manier die volkomen onafhankelijk is van de intervallen in de ruimte en de tijd die hen werkelijk scheiden. In dit geval vindt de gebeurtenis niet 'plaats', of beter gezegd, zij vindt tweemaal plaats. Wanneer het topische aspect het veld ruimt voor het teletopische aspect, wordt de eenheid van tijd en plaats dankzij de technische hoogstandjes verdubbeld. Zowel de uitzending als de ontvangst van de signalen vindt in dezelfde tijd zowel hier, als elders plaats. Het probleem van de 'televisuele horizon' van de vluchtige interactieve ontmoeting is hiermee echter niet opgelost. Ook al kan men de doorschijnende verschijningen van de co-presente gesprekspartners vergelijken met, of zelfs in analogie zien met de ontmoeting van de bovengenoemde voetgangers en automobilisten, het EINDPUNT van hun wederzijdse waarneming heeft een geheel ander karakter. De voetgangers die elkaar passeren hebben als horizon van hun blikveld het einde van de straat. Voor de elkaar passerende automobilisten is dat het perspectief van de weg. Dit betekent, dat het verdwijnpunt van het stedelijke blikveld de grens vormt van het gebied waarbinnen de ontmoeting plaats kan vinden. In het geval van de teletoeschouwers echter, die aan elkaar verschijnen voor en op hun scherm, is de horizon niet 'de achtergrond van het beeld', maar de begrenzing ervan, dat wil zeggen het kader van het scherm, de wijze van de projectie en vooral de tijd die hen gegund wordt voordat het kathodische scherm verduistert en er opnieuw het zwijgen toe doet. De 'televisuele horizon' bestaat dus uitsluitend in de aanwezigheid van de uitzending en duurt niet langer dan de ontvangst in real-time van het onderhoud op de televisie. Om precies te zijn gaat het om een present ogenblik dat bepaald wordt door de kadrering van het gezichtsveld van de twee teletoeschouwers, maar vooral door de tijd die hen is toebedeeld.

"Wie het heden als losstaand bepaalt, doodt het", schreef Paul Klee ?2 is nu het misdrijf van de huidige telecommunicatie juist niet, dat de PRESENTIE losgekoppeld wordt van het 'hier en nu'? En dit ten gunste van een inwisselbaar elders, dat geen deel meer uitmaakt van onze concrete aanwezigheid in de wereld, maar uitsluitend nog van een onopvallende en continu onderbroken telepresentie?

2. 'The thinking eye: The notebooks of Paul Klee', Jürg Spiller redactie, Wittenborn, 1961.

Dit betekent, dat de real-time van de telecommunicatie niet alleen tegenover het VERLEDEN staat, tegenover de 'tijd van het verschil', maar ook tegenover de PRESENTIE, dat wil zeggen tegenover de actualiteit daarvan. Het 'reële' en het 'voorgestelde' worden optisch zo met elkaar verwisseld, dat het lichaam van de waarnemer het enige is, dat zich nog in zijn eigen hier en nu bevindt en het laatste vaste punt is van iemand, die verder geheel opgaat in een virtuele omgeving. Op de focussing van de blik van bioscoopbezoeker, 'ooggetuige' van de kleine optische illusie die voortkomt uit de traagheid van het netvlies, volgt nu de polarisering van het lichaam van de teletoeschouwer, wat getuigt van de grote elektro-optische illusie van de omzetting van de hele aardse werkelijkheid in golven. De onbeweeglijkheid van het lichaam van de getuige veroorzaakt staren, een starheid van het oculaire systeem. Omdat alle informatie zonder vertraging convergeert en zich concentreert op de toeschouwer en deze het lichaam niet meer in beweging hoeft te zetten om visuele en auditieve informatie te verzamelen, wordt het scherm de laatste horizon van de zichtbaarheid, een horizon van de versnelde deeltjes die de geografische horizon vervangt, waaraan alleen het lichaam van de toeschouwer
nog gebonden blijft ?

Spreken we nu over een horizon die verschijnt, of over een horizon die in de diepte ligt? De mate van optische dichtheid waar de hedendaagse wereldburger mee te maken heeft, is te vergelijken met de transparantie van de materialen, die gebruikt worden voor de optische correctie van het directe licht van de zon en van de toverfee van de elektriciteit, zoals de lucht, het water en de glazen van onze brillen. Anders dan om de 'passieve' eigenschappen van deze materialen gaat het nu echter om de raadselachtige 'actieve' optische eigenschappen van het indirecte licht van het beeldscherm!

Zoals men weet, kan snelheid alleen verschijnen met een horizon als eindpunt. Is het kader van het kathodenscherm nu werkelijk een vierkante horizon van ons blikveld geworden? Mogen wij dit vierkant opvatten als een 'kubus', die zich schuil houdt in de twee dimensies van het gereduceerde en gefragmenteerde beeld van de televisieuitzending? ? die vraag valt niet zomaar te beantwoorden.

We dienen te beseffen, dat de indirecte horizon die zich aan ons in het fin du siècle opdringt, mogelijk is geworden door de opkomst van een 'derde interval': licht (teken nul). Dit interval vormt een nieuw verschijnsel ten opzichte van de twee traditionele soorten intervallen, te weten die van de ruimte (teken negatief) en die van de tijd (teken positief). Dit nieuwe type interval heeft geleid tot de onverwachte ontdekking van een nieuw PERSPECTIEF, waarvoor de real-time belangrijker is dan de uitgestrektheid van de reële ruimte van de territoria. Voortaan wordt de zintuiglijk ervaarbare wereld verhelderd door het indirecte licht van tekens die de optische dichtheid van onze planeet in een oogwenk tot nul reduceren. Aan de tijd-ruimtelijke vervorming van de afstanden en de oponthouden die veroorzaakt worden door de snelheid van het transport en personenvervoer wordt nu een vervorming toegevoegd, die veroorzaakt wordt door onregelmatig optredende verschijningen die op hetzelfde moment vanaf een afstand verzonden worden ? De cybernetisering van de geofysische ruimte, het atmosferische volume daarbij inbegrepen, die vanaf de uitvinding van de eerste automaten gestaag toenam en geavanceerde robots mogelijk maakte, komt nu door de nieuwe interactieve technieken in een plotselinge stroomversnelling. Het toezicht op de geofysische ruimte, dat tot nu toe afhankelijk was van het besturen van bewegende voertuigen, wordt vervangen door de besturing van het uitzicht op plekken die in no-time dichterbij gehaald kunnen worden ? Door de telescopering van het nabije en het verre en het optisch versterken van de verschijnselen van het menselijke milieu wordt de uitgestrektheid van de wereld plotseling zeer plat, 'platter dan plat'.

"De ware toeschouwer", zo schreef Novalis, "is werkelijk een kunstenaar: hij raadt de betekenis en verstaat de kunst om te onderscheiden wat belangrijk is in de vreemde en vluchtige mengeling van de fenomenen." 3

3. Novalis (Friedrich von Hardenberg), 'The Novices of Sais', Kurt Valentin, 1949.

Beter kan men, lijkt me, het energetische aspect van de observatie niet beschrijven, het energetische aspect van de beelden, of beter gezegd, de informatie. En inderdaad, wanneer de snelheid eigenlijk geen fenomeen is, maar de relatie tussen de fenomenen vormt (de relativiteit zelf is), en wanneer snelheid niet alleen van toepassing is op het zich verplaatsen maar ook op het zien en het begrijpen, dan beschrijft de Duitse dichter perfect de bewegingen van de blik, die uit alle macht probeert om in de vluchtige stroom van de fenomenen het wezenlijke vast te houden. Dat is overigens wat informatici aanduiden als 'beeldvermogen'. Net zoals microprocessors beelden verzamelen, zo is ook het menselijke oog een krachtig instrument om zichtbare structuren te analyseren. Het is in staat om zeer snel (20 milliseconden) de optische diepte van gebeurtenissen vast te stellen. Daarom zou het nodig kunnen zijn om aan de twee gebruikelijke types van energie ? potentiële energie (het vermogen) en kinetische energie (in uitvoering) ? een derde en laatste type toe te voegen: kinematische energie (in de informatie opgeslagen). Wanneer we dat niet doen zou het relativistische karakter van ons observatievermogen wel eens kunnen verdwijnen. De observator zou dan opnieuw losgekoppeld worden van datgene wat hij observeert, zoals dat gebeurde in de tijd voor Galilei.

Maar deze historische terugblik doet hier niet ter zake. Laten we terugkeren naar de real-time technieken. Nu men in staat is om met de absolute snelheid van elementaire deeltjes elektro-optische beelden en elektro-akoestische geluiden te verzenden, alsmede telemetrische signalen, is het niet langer alleen mogelijk om iets op afstand te zien en te horen, maar ook om op afstand te handelen. Met steun van hun regeringen doen de laboratoria op dit moment dan ook hun uiterste best om de resolutie van de verzonden beelden te verbeteren. Want de indirecte transparantie kan versneld worden en daarmee kan de optische versterking van de natuurlijke omgeving vergroot worden. Laten we niet vergeten dat de menselijke blik tegelijkertijd zowel ruimte als tijd kan monteren. De objectiverende blik volbrengt dus een relativistische krachttoer, omdat hij de grenzen van zijn gezichtsveld en de opeenvolging van de sequenties verdubbelt door een tijdelijke montage van het beeldritme. De 'daad van de onderscheidende blik' is dus geen loze formulering, want anders zou de relativiteit van het zichtbare zelf niet meer zijn dan een perspectivische hallucinatie!

De speurtocht naar high-definition televisie en high-fidelity geluid op afstand is dus niet los te zien van het controversiële probleem van de geobserveerde energie. Nu hedendaagse fysici aangetoond hebben dat de waarnemer niet te scheiden is van de waargenomen zaak, kan men zich inderdaad afvragen wat er nog overblijft van de objectieve waarschijnlijkheid van de 'waargenomen energie', die de grondslag vormt van alle metingen in de experimentele wetenschappen ? Gaat het hier om waargenomen energie, of om de energie van de waarneming? Ook wanneer deze vraag niet beantwoord wordt, zijn we met de huidige onderzoekingen op het gebied van de high-definition in staat om een live televisiebeeld tot stand te brengen waarvan de gebreken niet meer waargenomen kunnen worden met het blote oog. Omdat de resolutie van het elektronische beeld hoger is dan die van de menselijke blik, zou het beeld in dat geval een groter werkelijkheidsgehalte kunnen krijgen dan de zaak waar het in feite slechts een afbeelding van is. Dit verbluffende effect wordt onder andere mogelijk gemaakt door een versnelling van 25 tot 50 beelden per seconde. Zoals we weten ligt de onbewuste limiet van de menselijke waarneming bij 60 beelden per seconde. Op deze manier verschijnt de optische vergroting van onze natuurlijke omgeving die in dit fin du siècle plaatsvindt als de uiterste grens, de laatste 'horizon' van de technologische activiteiten van de mens. Omdat de verbetering van de precisie van de tele-actuele waarneming voor ons betekent wat vroeger het veroveren van een land of het uitbreiden van een rijk betekende, is de recent populair geworden term 'GLASNOST' geenszins onschuldig. Kort na de gebeurtenissen in Oost-Europa, in december 1990, riep in Straatsburg een vertegenwoordiger van een aan de Europese Unie grenzend land het volgende uit: "Wanneer ze de grenzen opheffen, moeten ze ook een eind maken aan de afstanden. Want die vormen voor de perifere gebieden het grootste probIeem." In mijn ogen zou men deze zin om moeten draaien om te begrijpen waar het in de politiek op dit moment om gaat. Nu de recente ontwikkelingen in de telecommunicatie een eind hebben gemaakt aan de afstanden, vindt men dat ook de grenzen opgeheven moeten worden. Ik bedoel daarmee niet alleen dat de politieke grenzen van de nationale staten opgeheven zouden moeten worden ten gunste van een federatie of een confederatie, maar ook dat er een eind gemaakt zou moeten worden aan de 'grenzen' van de zichtbaarheid van de dingen die ons omringen. Dat alles ten faveure van een uiterste tijdslimiet, die besloten ligt in de versnelling van de opeenvolging van de beelden. De wereld zou dan integraal op ons beeldscherm aanwezig zijn, 24 uur per dag en zeven dagen per week.

Zoals de ontwikkelingen in het transport de tijd verkort hebben die nodig is om zich te verplaatsen, zo neemt nu de verdunning van de optische dichtheid van de zichtbaarheid van onze aan de interactieve technieken UITGELEVERDE planeet hand over hand toe. Anders gezegd, zoals meteorologische satellieten ons nu al informatie verschaffen over de klimaten van de wereld, zo zal het licht van de tweede zon, dat al onze grondgebieden verlicht, hoe langer hoe sterker worden ?

Dit betekent het einde van de buitenwereld, van de MUNDUS van de ogenblikkelijke verschijningen. In deze wereld was het nodig om zich daadwerkelijk te verplaatsen, waar een zekere mate van tijd en ruimte mee gemoeid was. De daarmee corresponderende intervallen 'negatief' en 'positief' zinken op een merkwaardige wijze in het niet vergeleken bij het interval 'nul' van de absolute snelheid van het licht. De golven die de televisiebeelden mogelijk maken stellen zo niet alleen het filosofische begrip van de 'tegenwoordige tijd' ter discussie, maar vooral ook dat van het 'werkelijke ogenblik'.

Voor velen van ons geeft de mogelijkheid en de nabijheid van de dood een grotere intensiteit en diepgang aan ieder moment van het leven ? zou het echter niet zo zijn dat de nieuwe elektronische technieken ons letterlijk kapotmaken en doden door zoveel 'diepgang' aan het ogenblik mee te geven? Het zogenaamde werkelijke ogenblik van de televisie is immers slechts het moment waarop ons ogenblikkelijke bewustzijn verdwijnt. Zo neemt de intensiteit van het werkelijke ogenblik onophoudelijk toe ten koste van de 'intuïtie van het ogenblik', die Gaston Bachelard zo dierbaar was.

In het geval van de video gaat het niet langer om een 'kleine illusie' van het soort dat in 1895 de toeschouwers van de film van de gebroeders Lumière schrik aanjoeg: De aankomst van de trein in het station van La Ciotat. We hebben nu te maken met de bevrijdende effecten van een 'grote illusie', die alle uithoeken van de wereld present stelt. Deze telepresentie geeft net zo weinig vertrouwen als de locomotief die afstormde op het publiek van de eerste film. Terwijl de relatieve snelheid van de ogenblikken die het fotogram samenstellen niet meer konden veroorzaken dan de schijnbare beweging van de film van de gebroeders Lumière, zorgt de absolute snelheid van de informatieoverdracht bij het videogram ervoor, dat zaken die zeer ver van elkaar verwijderd zijn in elkaars nabijheid verschijnen aan de rand van de zichtbaarheid. De puur mechanische sequentie van de film met 17 of 24 beelden per seconde heeft hier plaatsgemaakt voor de elektronische opeenvolging van videobeelden met een snelheid van 25, 30 of 50 beelden per seconde. Het doden van het werkelijke ogenblik kan dus alleen maar plaatsvinden onder de voorwaarde, dat ook de beweeglijkheid in de ruimte van de teletoeschouwer gedood wordt. Het twijfelachtig gewin daarvan is de pure en simpele beweeglijkheid ter plekke. De isolering van 'het heden' is niet los te zien van het isoleren van de 'patiënt' (diegene die de handeling geduldig ondergaat). Men wordt geheel afgesloten van de omgeving waarin men zich beweegt en die men door middel van zijn zintuigen ervaart, ten gunste van een systeem van beeld-feedback, anders gezegd van een feedback die leidt tot de onbeweeglijkheid van het eigen lichaam en tot een interactieve lichaam-lichaam constellatie ? We hebben hier dus niet te maken met de 'global village', waar Marshall McLuhan op hoopte, omdat de aanwezige wereld in ieder van zijn bewoners tot stilstand komt. Het is een terugkeer naar het nulpunt voor een bevolking die zich niet meer bekommert om de uitgestrektheid van de aarde en de verstedelijking van de werkelijke ruimte van onze planeet, maar die zich wijdt aan de verstedelijking van de werkelijke tijd. Wanneer alleen maar de beelden van de wereld zich verspreiden, zullen wij, de ontvangers daarvan steeds vaker 'uit het beeld' en 'van de wereld' zijn.

"Het licht is zoet en het is aangenaam voor de ogen de zon te zien. Daarom, indien de mens vele jaren leeft, zo verheuge hij zich in die alle, maar hij bedenke, dat de dagen der duisternis vele zullen zijn: al wat komt, is ijdelheid." 4

4. Prediker 11: 7-8.

Wat zal er overblijven van dat zoete morgenlicht wanneer het indirecte licht, dat wordt uitgestraald door de audiovisuele apparatuur, het directe licht en de geometrische lijnen van de zonnestralen geheel vervangen zal hebben? Zullen we het daglicht dan in een museum onderbrengen om daarna alleen het indirecte licht van de monitors nog tot ons door te laten dringen? Zullen alleen zij onze werkelijkheid gaan bepalen? In dat geval zouden we ook de crypten en de ondergrondse duisternis niet meer nodig hebben, omdat deze slagschaduw hoort bij een zonovergoten landschap buiten, maar niet bij de 'virtuele realiteit', die ons innerlijk leven totaal zal veranderen. Simulators, VR-helmen en bewakingscamera's kondigen aan dat voor het optische licht de schemering is gevallen en dat de dageraad van het elektro-optische licht weldra aan zal breken. Zij voorzeggen, dat het VIRTUELE WELDRA DE PLAATS VAN HET VISUELE, van het audiovisuele, zal hebben ingenomen. De romantische analyse van Schlegel in 'Die Gemälde' 5 zal dan niet meer opgaan: dankzij de snelheid van het licht zal de representatie van de verschijningen in real-time wèl misbruik van ons kunnen maken. Door de absolute snelheid van de elektromagnetische uitstraling zal de transparantie van de dag er niet meer toe doen. Het enige wat dan nog telt is de 'TRANSAPPARENTIE' van wat ogenblikkelijk vanuit de verte wordt overgezonden ?

5. Friedrich Schlegel, 'Die Gemälde', Édition française, Christian Bourgois, 1988.

De snelheid bevrijdt ons van het kosmische licht. Ziedaar de paradox van een technologische versnelling, die binnenkort stuk zal lopen op de tijdsmuur. Zij zal uitkomen bij de 'real-time' van een door de media bemiddelde alomtegenwoordigheid, die alleen maar mogelijk is ten koste van wat met het blote oog gezien kan worden. De virtuele kijkmachine voltooit zo wat de schilderkunst en de beeldhouwkunst vanaf het Quattrocento ? ondanks het feit dat ze met de uitvinding van het perspectief, het clair-obscur en de lenzen van Galilei beschouwd kunnen worden als de voorafschaduwingen van de toekomstige televisie ? nooit voor elkaar hebben gekregen.

Ziehier dus het allerlaatste museum: het museum van de Zon! Hier zal het licht worden bewaard waarin de dingen zich vanaf het begin der tijden gebaad hebben. Ziehier het museum van de Rijzende Zon, symbool van het ochtendland, van het Verre Oosten, waar alles nu nog draait om de astronomische dag, maar waar men zich binnenkort, zoals overal overigens, gaat begraven in het lichtgevende schaduwrijk van de virtuele realiteit. Zo zal de cybernetische ruimte uiteindelijk zegevieren over de geografische uitgestrektheid van de wereld.

Document Actions
Document Actions
Personal tools
Log in