35
years
v2_
 

Peak Speculation

interview with Michel van Dartel, published in Kunstlicht (2015).

Interview met Michel van Dartel, door Rana Ghavami en Ragna Manz

Speculatief ontwerp is over zijn hoogtepunt heen, stelt Michel van Dartel. Eigen fictieve scenario’s ontwikkelen zonder bestaande problemen te onderkennen is al te comfortabel, vindt de curator bij V2_, instituut voor de instabiele media. Het spanningsveld tussen samenleving en technologie vormt de context voor V2_’s onderzoek in de kunst. De projecten hebben betrekking op de innovatieve kracht van kunst en cultuur in onze technologische samenleving.

***

Sinds 2006 organiseer je vanuit V2_ Test_Lab een publiek programma waarbij kunstenaars, ontwerpers, studenten en critici hun onderzoeksprojecten kunnen presenteren op het gebied van kunst, technologie en maatschappij. Enkele van de eerste edities, zoals Immersive Mixed Reality Environments, onderzochten voornamelijk de mogelijkheden van augmented reality en virtual reality voor de kunstenaarspraktijk. Gaandeweg ligt de nadruk meer op de relevantie van toekomstige technologieën, waarbij men niet zozeer geïnteresseerd is in het verkennen of benoemen van deze ontwikkelingen voor de kunstenaarspraktijk, maar veel meer kijkt naar de sociale implicaties van deze ontwikkelingen voor de samenleving. Kan je terugkijkend op het programma van Test_Lab aangeven hoe het zich heeft ontwikkeld en wat het heeft betekend voor onze opvatting van technologie? Hoe is ons denken over technologie geëvolueerd?

Voor de hele praktijk van V2_, en tot op zekere hoogte voor het veld van de mediakunsten, geldt dat er eerst veel aandacht en fascinatie was voor het feit dat je technologie kon gebruiken om artistieke ervaringen vorm te geven. Men speculeerde ook over wat deze technologieën ‘straks’ voor ons zouden betekenen en welke beloftes en nieuwe applicaties daar uit voort zouden kunnen komen. Deze tendens was veel eerder zichtbaar dan de eerste Test_Lab in 2006. Veel van die technologieën, vooral wat betreft de mediakunsten, liggen inmiddels binnen ons bereik, maar de beloftes worden lang niet altijd ingewilligd. Sterker nog, de technologieën die we bejubeld hebben en die nu werkelijkheid zijn geworden, blijken vaak ook hele negatieve implicaties te hebben zoals de privacykwesties die de netwerkmaatschappij met zich meebracht of de verdrukking van arbeid door automatisering. Ik denk dat het veld zich daar in het algemeen ook meer van bewust is geworden, en zich kritischer tot technologie is gaan verhouden door diezelfde kunst aan te wenden om technologische ontwikkelingen kritisch te beschouwen. Dat wil niet zeggen dat het niet interessant is om te speculeren over nieuwe technologieën die er aan komen, maar de nieuwigheid naar de nieuwe mogelijkheden van technologie kan niet meer het voornaamste uitgangspunt zijn.

Zou je verder kunnen toelichten waarom ons verlangen naar nieuwe vormen van technologie en innovatie is ingeruild voor scepsis?

Wat we geleerd hebben is dat nieuwe technologie niet gelijk staat aan verbetering. Dit heeft als gevolg dat kunstenaars zich veel kritischer moet verhouden tot nieuwe technologieën. De vraag: ‘wat is er mogelijk?’ is niet meer toereikend; de vraag ‘wat betekent het eigenlijk als dat mogelijk wordt?’ is zeker zo belangrijk gebleken. Daarmee wil men natuurlijk niet als een zuurpruim alle technologie afvallen, maar het gaat om een bewustwording van de andere kant van de medaille. V2_ bestaat nu 33 jaar en heeft zich altijd beziggehouden met kunst en technologie, altijd in relatie tot de samenleving. Technologie was daarbij vaak het onderwerp, maar ook het medium om kritisch te reflecteren op de impact ervan op de samenleving.

Test-lab is een interessant initiatief: het biedt ontwerpers, wetenschappers en geïnteresseerden de mogelijkheid om bij elkaar te komen om op elkaars projecten of artistieke programma’s te reageren. De toeschouwer speelt bij Test_Lab een belangrijke rol omdat deze door middel van de opzet van het programma ook een actieve deelnemer wordt. Dit kan betekenen dat de toeschouwer letterlijk iets moet uitvoeren of dat de toeschouwer speculeert over de gevolgen of uitkomsten van een specifiek scenario. Dit is tot op heden een belangrijk criterium voor speculatieve projecten. Wat is er in jullie houding en stellingen ten aanzien van onderzoeksprojecten van Test_Lab veranderd door de ervaringen van de toeschouwer?

Het uitgangspunt van de Test_Lab avonden is om te concentreren op het experiment en juist de testfase, inclusief alle mogelijk ‘gefaalde’ modellen, van de medialabs en werkplaatsen voorop te stellen. Ik wist vanuit de praktijk van V2_ dat er vaak tijdens het maakproces relevante en interessante zaken gebeuren die niet altijd zichtbaar zijn in het eindresultaat. Uit die eerste resultaten volgen vaak interessante discussies en vragen over de betekenis van het technologisch artefact. Wanneer je de betekenis bevraagt, dan vraag je je indirect ook af wat de gevolgen zijn voor de bestemde context. Sommige resultaten die we presenteren zijn vrij abstract en dienen dus goed gecontextualiseerd te worden. Zodoende moet je je ook afvragen hoe je bepaalde experimenten kunt presenteren, zodat de toeschouwer of deelnemer voldoende informatie heeft om ‘het ding’ te kunnen lezen en begrijpen. In de laatste editie presenteerde een kunstenaarscollectief The Center for Genomic Gastronomy een barbecuesaus bestaande uit ingrediënten geproduceerd op basis van mutation breeding. Dan moet je natuurlijk wel eerst in gesprek gaan met het publiek over wat dat precies betekent. Toen ik bij V2_ begon was ik er vrij snel van overtuigd dat deze discussies waardevol waren om met het publiek te voeren, en niet enkel in het lab. De praktijk voorheen was vaak dat het resultaat uit de werkplaats direct in een kratje werd getimmerd om vervolgens ergens in een museum gepresenteerd te worden.

In de projecten die jullie tonen, zoals de tentoonstelling Blueprints for the Unknown (2014), zie je dat de ontwerper zich sterk richt op de rol van technologie in de samenleving als alternatief voor technologie als een ideologische katalysator van de markt. Wat opvalt is dat ontwerpers en kunstenaars verschillende hypotheses onderzoeken en scenario’s presenteren om een kader te creëren waarbij ze juist de ethische vraagstukken kenbaar willen maken en niet alleen de functionaliteit willen bevragen. Dit is onder andere voortgekomen uit de realisering dat het noodzakelijk is om te begrijpen hoe technologie werkt, omdat wij steeds afhankelijker worden van technologieën in onze samenleving.

Blueprints for the Unknown is typisch een voorbeeld van een project dat een jaar of acht geleden juist zou gaan over de beloftes van die technologieën. Terwijl Blueprints for the Unknown nu heel specifiek ingaat op hoe biotechnologieën die nu ontwikkeld worden relaties aan zullen gaan met allerlei andere systemen in de wereld zodra ze uit het lab komen: sociale systemen, politieke systemen, economische systemen et cetera. Hierdoor gaat een technologische ontwikkeling die met een bepaald doel ontworpen is wellicht opeens een heel andere kant op, en heeft het totaal andere gevolgen dan bedoeld. Neem bijvoorbeeld het werk Dynamic Genetics vs. Mann (2013) van Superflux. Daarin wordt aan de hand van een fictief verhaal duidelijk gemaakt dat biotechnologieën die worden ontworpen voor het opsporen van genetische aanleg voor ziektes ook door verzekeraars zouden kunnen worden gebruikt om nieuwe klanten te screenen. Dat zou volgens Superflux ongetwijfeld een zwarte markt opleveren aan biotechnologieën waarmee je negatieve resultaten uit die tests kunt omzeilen. Vervolgens zou dat onze wetgeving uitdagen om de verzekerden te beschermen tegen het gebruik van zulke technologieën door verzekeraars, of juist verzekeraars te beschermen tegen het (illegaal) omzeilen van zulke tests! Dit is in beperkte mate al aan de orde: het ‘zorgakkoord’ geeft een indicatie van hoe onze huidige politiek hierover denkt, maar het werk van Superflux maakt door speculatie duidelijk voor welke uitdagingen zulke biotechnologieën ons zullen stellen, zodra ze het lab verlaten en deel uitmaken van onze dagelijkse realiteit.

Sommige speculatieve ontwerpprojecten claimen een nieuw licht te werpen op, of soms zelfs oplossingen te bieden voor bepaalde onderwerpen, zoals de productie van voedsel door middel van nieuwe technologieën zoals genetische manipulatie of synthetische biologie. Bijvoorbeeld het werk van het Nederlandse ontwerpbureau Next Nature, The In Vitro Meat Cookbook (2014). Zij gebruiken het kookboek als medium om een alternatief verhaal te schetsen voor de voedselproductie van de vleesindustrie. Een deel van het boek bestaat uit essays en een ander deel bestaat uit speculatieve kookrecepten. De technologische innovatie zoals synthetische biologie heeft ertoe geleid dat wij zelf voedsel en zelfs vlees kunnen kweken. De gevolgen van deze technologische innovatie hebben ze op verschillende niveaus uitgewerkt en vormgegeven. Een van deze speculaties berust op de ervaring van de consument. Zij hebben bijvoorbeeld de nieuwe eetgewoonten, nieuwe voorbereidingstechnieken en benodigdheden zoals keukengerei en eetgerei vormgegeven. In plaats van in te gaan op de voedselsoevereiniteit, worden met dit project de consequenties van deze vormen van technologieën op verschillende niveaus onderzocht. Het boek is vooral bedoeld om een educatief debat te initiëren. Speculatie moet leiden tot reflectie. Eerder gaf je aan dat je twijfels hebt bij sommige speculatieve ontwerpprojecten. Je vraagt je in het algemeen af of de projecten wel waarde hebben voor de onderwerpen die ze aansnijden. Kun je dit toelichten?

Ik ben vooral geïnteresseerd in hoe je fictie kunt gebruiken om bepaalde ontwikkelingen te duiden en problematiek anders te belichten. Maar daarvoor moeten de aannames over de realiteit van waaruit je speculeert wel deugen. Ik zie dat in het speculatief ontwerpdomein veel projecten nu totaal losgekoppeld worden van onze realiteit. In de speculaties rondom kweekvlees gaan veel projecten blindelings mee in het beeld dat wetenschappers neerzetten om onderzoeksgeld in de wacht te slepen, namelijk dat kweekvlees een alternatief is voor dierenleed en slacht. Maar naar mijn mening is het momenteel juist veel meer relevant om de utopie van diervriendelijk kweekvlees ter discussie te stellen, want dat kweekvlees brengt andere problemen met zich mee. Maar ook buiten de kweekvlees discussie lijkt het steeds vaker alsof men zo druk is met speculeren dat de realiteit waarover het project iets zou moeten zeggen uit het oog wordt verloren. Dat noem ik ‘peak speculation’: de speculatie is belangrijker dan de werkelijkheid waar zij op reflecteert.

Speculatieve ontwerpprojecten lenen verschillende methoden van andere disciplines zoals film, literatuur en performance. Je ziet dat veel ontwerpers deze werkmethoden goed hebben geïntegreerd. Maar zie je ook een ontwikkeling waarbij ontwerpers het theoretische discours van deze disciplines in ogenschouw nemen?

Bij speculatief ontwerp gaat het om het vormgeven van een speculatief narratief dat bepaalde vragen afdwingt. Ontwerpers gebruiken vaak objecten om dat narratief te representeren; de objecten zijn een medium voor het narratief. Daarnaast wordt ook nog vaak tekst en beeld gebruikt om het narratief te ondersteunen. Met die elementen zou je een compleet fictief verhaal kunnen vertellen, inderdaad zoals decors worden ontworpen voor film, waardoor speculatieve ontwerpprojecten er vaak ook uitzien als decors. Maar zoals ik eerder al aangaf zie ik die speculatie liever in dienst staan van de realiteit. Ik ben dan ook altijd erg gecharmeerd van speculatief ontwerp waarin de tentoongestelde objecten niet enkel een fictief narratief representeren, maar ook de realiteit waarin het narratief is geworteld. Zo zie je vaak dat de objecten een soort van proof-of-concept bieden voor hetgeen waarover gespeculeerd wordt. Ik denk bijvoorbeeld aan het werk van Mohammed Ali die vorig jaar binnen Test_Lab een werk presenteerde rondom de democratisering van energie, en om dat verhaal te vertellen een hele serie DIY-experimenten met energie toonde. Dat zijn ook vaak de speculatief ontwerpers die er inderdaad theorie bij halen om eerst de werkelijkheid te doorgronden waarop ze vervolgens met fictie reflecteren.

In recente discussies over speculatief ontwerp wordt het verwijt gemaakt dat veel projecten apathisch of a-politiek zijn, terwijl het wel een discipline is die streeft naar onafhankelijkheid van de condities van de markt, van de technocratische ideologie en van het affirmatief ontwerp – ontwerp dat de status quo versterkt. Hoe sta jij daar tegenover?

Met die stelling ben ik het niet eens. Er zijn genoeg projecten te noemen die wel politiek zijn. Wat ik grappig vond is dat in diezelfde discussie speculatieve ontwerpprojecten ook bestempeld werden als voornamelijk gericht op ‘white middle class topics’. Als die kritiek al op zou gaan voor speculatief ontwerp, dan zou je dat natuurlijk ook voor het gehele vakgebied van design kunnen stellen. Design als geheel wordt namelijk gedomineerd door blanke mensen uit de middenklasse. Niet dat er geen design plaatsvindt in lagere klassen of niet-westerse contexten, maar daar wordt diezelfde arbeid vaak gewoon bestempeld als ‘een oplossing zoeken voor een probleem’.

Het verschil met commercieel design is dat speculatief ontwerp kritisch probeert te zijn, terwijl commercieel design de ideologie van de markt bevestigt. Veel ontwerpers die zich affiliëren met speculatief ontwerp stellen dat zulke commerciële designprojecten affirmatief zijn en zowel strategisch als ideologisch apolitiek. Je zou kunnen stellen dat speculatief ontwerp zich uiteindelijk in dezelfde realiteit bevindt waarvan het zich probeert te distantiëren.

Je bedoelt dat speculatief ontwerp juist was bedoeld als de afscheidingsbeweging die buiten commerciële belangen opereert om zich af te kunnen zetten tegen de markt, het systeem?

Het probeert zich vaak buiten commerciële agenda’s te plaatsen, juist om kritisch te reflecteren op die commerciële drijfveren of het bevragen van (politieke) machtsstructuren. Bijvoorbeeld, de dystopische voorstellingen of kritische vragen die gesteld worden over de gevolgen van technologische ontwikkelingen voor sociale ongelijkheden, arbeidsomstandigheden, en morele waarden, zijn in veel gevallen de realiteit in andere landen of werelddelen, maar ook dichterbij huis. Als we proberen te begrijpen wat bepaalde ontwikkelingen voor de mens en zijn omgeving kunnen betekenen, waarom richten ontwerpers zich niet op deze werkelijkheden?

Ik ben het ermee eens dat veel speculatief ontwerp blind is voor de werkelijke urgenties in de wereld. Het lijkt erop dat het veel leuker is om je eigen comfortabele problemen te definiëren. Op die observatie is natuurlijk ook de eerder genoemde focus op ‘white middle class topics’ gestoeld. Er zijn ontwerpers zoals het duo Cohen van Balen die heel gefrustreerd zijn over het feit dat veel speculaties zich niet tot de werkelijkheid verhouden en geen urgenties kennen. Dat is iets waar ze zich actief tegen verzetten. Cohen van Balen’s project 75 Watt (2013) bevraagt de machtsstructuren achter ‘Made in China’. Het werk laat zien dat middels het ontwerp van objecten die in China geproduceerd worden, een choreografie van bewegingen voor fabrieksarbeiders wordt afgedwongen in de fabrieken waar de productie plaatsvindt. Cohen van Balen hebben dat proces in 75 Watt volledig omgedraaid en een choreografie bedacht voor arbeiders in een Chinese fabriek die een bepaalde vormgeving van een product afdwingt.

Ik denk dat het duo Cohen van Balen daarmee mijn observatie deelt dat speculatie zijn piek heeft bereikt en we terug moeten naar een meer gedegen inbedding van speculatief ontwerp in de werkelijkheid. Ik beweer niet dat het ten einde loopt, maar ik denk dat het nu juist een gezonde balans zal vinden tussen fictie en werkelijkheid. De grenzen van speculatie zijn de afgelopen jaren zo opgerekt dat, zoals je zelf ook terecht opmerkte, het vaak geen enkele relatie meer heeft met echte problemen. Je ziet gelukkig langzamerhand ook ontwerpers die met hun speculatief werk indirect kritiek leveren op speculatief ontwerp. Kijk bijvoorbeeld naar het werk A series of Reasonable Intentions (2014) van Koby Barhad; een speculatief project, maar opgebouwd uit enkel technologieën die reeds bestaan en wijdverspreid zijn. De volgende stap voor speculatief ontwerp is teruggaan naar de kern van de problematiek en het belang van de gronding in de realiteit te onderkennen.

Op dit moment volgen we bij V2_ een rode draad die we hebben uitgestippeld voor de komende twee jaar, en ‘Innovation in Extreme Scenario’s’ noemen. Het uitgangspunt daarbij is dat innovatie zich niet laat beteugelen of richten, maar wordt afgedwongen door een situatie of een context. Ik denk dat je als kunstenaar of ontwerper juist innoverende experimenten kunt uitvoeren door de juiste specifieke context of situatie vorm te geven of op te zoeken, zijnde fictief of niet.

Voor een ontwerp is het noodzakelijk dat de parameters en de context zijn bepaald, en tot op zekere hoogte kun je stellen dat deze niet zozeer zijn vormgeven, maar eerder voorgesteld. De sociale context waar het ontwerp voor bedoeld is, wordt vaak op basis van data of andere variabelen gesimuleerd en vastgesteld. Nu stel je dat je juist de context moet vormgeven, wat houdt dat in?

Een voorbeeld is het fenomeen gentrificatie, het opknappen of verbeteren van woonomgevingen gericht op de wensen van de blanke middenklasse. Het is nu een concept dat door beleidsmakers, politici, ondernemers en ook de creatieve klasse wordt omarmd als het recept voor de ontwikkeling en innovatie voor het stedelijk landschap. Maar houdt dat recept ook stand als je het uitvoert in de extreme context van de jungle van Congo? In 2012 begon het Institute for Human Activities, opgericht door kunstenaar Renzo Martens, een gentrificatieprogramma op een voormalig palmolieplantage van Unilever. Martens heeft een kunstenaarsgemeenschap gecreëerd waar de cacaoplantagewerkers kunst maken en deze verkopen. Dat maakt het in mijn ogen een voorbeeld van een extreem scenario, waarin de uitersten worden opgezocht binnen de werkelijkheid. De eerste resultaten zijn zelfportretten van de plantagewerkers uitgevoerd in grote chocoladesculpturen. Wij hebben bij V2_ een applicatie ontwikkeld die de zelfportretten in 3D op locatie kon scannen, zodat er hier mallen voor konden worden geproduceerd om chocoladesculpturen te maken. Het resultaat wordt tijdens de Art Rotterdam Week van 5 tot 8 februari bij V2_gepresenteerd. Dit is vergelijkbaar met het werk van Cohen van Balen; ook zij zoeken de extremen in de werkelijkheid op om daar de ‘wat als’ vraag, die aan de basis ligt van speculatief ontwerp, te onderzoeken. Er is duidelijk een verschuiving gaande: kunstenaars en ontwerpers geven steeds meer interventies in de echte wereld vorm om ideeën over onze samenleving te toetsen.

Document Actions
Document Actions
Personal tools
Log in