35
years
v2_
 

Primitieve verbeelding in machinale metaforen

Dutch version of an essay by Jozef Keulartz for "TechnoMorphica," 1997.

Nederland bezit van ouds een rijke natuur die echter de laatste 150 jaar door verschillende economische en demografische ontwikkelingen sterk onder druk is komen te staan. Nederland is zeer dicht bevolkt, kent een intensieve landbouw en een expansieve chemische sector, en is als delta van enkele grote rivieren, zoals de Rijn, de Maas en de Schelde, de 'zinkput' van West-Europa. Als reactie op de voortschrijdende verarming van de natuur kwam in Nederland de afgelopen decennia een relatief krachtige natuurbeweging van de grond, die in vergelijking met omliggende landen over een brede aanhang beschikt. De beide grootste natuurorganisaties, de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten en het Wereld Natuur Fonds, hebben respectievelijk 800.000 en 700.000 leden (op een totale bevolking van ruim 15 miljoen mensen), terwijl ook Greenpeace hier met 585.000 leden op veel sympathie kan rekenen. 1

1. Alle getallen zijn gebaseerd op gegevens uit 1996.

Gegeven deze betrokkenheid van grote delen van de bevolking is het niet verwonderlijk dat het Nederlandse natuurbeleid meer dan elders een vooruitstrevend en voortvarend karakter vertoont. Het behelst de realisering van de zogenaamde 'Ecologische Hoofdstructuur', een netwerk bestaande uit kerngebieden met een minimumomvang van circa 500 hectare, een aantal kleinere gebieden en de verbindingen daartussen (in de vorm van stepping stones en corridors). De Ecologische Hoofdstructuur zal een flink areaal van het Nederlandse grondgebied (met een totale oppervlakte van 3.500.000 hectare) gaan omvatten, namelijk 700.000 hectare. Dit ambitieuze plan getuigt van de omslag van een defensieve naar een offensieve beleidslijn die zich rond 1980 al begon af te tekenen. Niet natuurbescherming maar 'natuurontwikkeling' luidt sindsdien het devies. Deze kentering ging hand in hand met een verschuiving van de pastorale naar de primitieve verbeelding van het ideale landschap.

Als ijkpunt van de klassieke natuurbescherming gold het landschap van rond 1850, toen ons land zich opmaakte voor grootschalige moderniseringsprocessen. Dit cultuurhistorisch landschap, bestaande uit grienden, schraallanden, trilvenen, heidevelden en zandverstuivingen, was het resultaat van allerlei vormen van agrarisch grondgebruik en kan dan ook slechts in stand gehouden worden met behulp van traditionele landbouwtechnieken, zoals riet- en ruigtteelt, maaien en plaggen, de inrichting van eendenkooien en het gebruik van watermolens. De natuurontwikkelaars beschouwen deze 'boerennatuur' als gedegenereerde natuur die voortdurend onderhoud vergt, waarvan de baten niet tegen de kosten opwegen. Zij verwerpen de pastorale idylle als criterium van natuurbeleid en koesteren in plaats daarvan het primitieve ideaal van de oorspronkelijke en ongerepte wildernis. In deze 'oernatuur' is voor de mens slechts een bescheiden plaatsje ingeruimd, 'en wel als jager, verzamelaar en aaseter', zoals het in het voornaamste achtergronddocument bij het nationale Natuurbeleidsplan 2 zonder spoor van ironie gesteld wordt.

2. Het nationale Natuurbeleidsplan is het officiële regeringsstandpunt met betrekking tot het te voeren natuurbeleid, opgesteld door het Nederlandse Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Directie Natuur, Bos, Landschap en Fauna in 1990.

De natuurontwikkelaars oriënteren zich in het bijzonder op het laatste interglaciale tijdperk, toen de mens zelfs nog niet over afstandswapens (zoals de werpspeer en de pijl en boog) beschikte en dus ook nog niet in staat was zijn natuurlijke vijanden aan zich te onderwerpen. Ter reconstructie van deze prehistorische toestand maken zij gebruik van geologisch, fysisch-geografisch en biologisch-archeologisch onderzoek. Als aanvulling hierop wordt ook onderzoek verricht naar thans nog bestaande levensgemeenschappen die qua soortensamenstelling sterk overeenkomen met de levensgemeenschappen uit het laatste interglaciale tijdperk in Europa. Zulke levensgemeenschappen zijn nog te vinden in de nationale parken van India en Sri Lanka en in een reeks Afrikaanse natuurgebieden. Terwijl de natuur van de traditionele natuurbeschermers op de inzet van oude ambachtelijk-agrarische technieken is aangewezen, is de natuur van de natuurontwikkelaars slechts verenigbaar met de allerprimitiefste vormen van techniek. Maar – en hier openbaart zich dé paradox van natuurontwikkeling – deze vermeende oernatuur is sinds 1871, toen het Beekbergerwoud in luttele dagen gekapt werd, uit Nederland verdwenen en moet dus technisch geproduceerd worden. Ons land mag dan wel hier en daar esthetisch gezien nog best aardig ogen, ecologisch gesproken is het volgens de natuurontwikkelaars niets minder dan een rampgebied. Door inpolderingen en ontginningen, bedijkingen en kanaliseringen zijn allerlei natuurlijke processen, zoals overstroming en uitdroging van uiterwaarden, aan banden gelegd of helemaal uitgeschakeld. Maar ook de levende natuur is naar het oordeel van de natuurontwikkelaars volledig verstoord: van de ene kant zijn bepaalde soorten door tussenkomst van de mens niet meer in ons landschap aanwezig; van de andere kant is onze natuur vergeven van de 'exoten', planten en dieren die hier eigenlijk – 'van nature' – niet thuishoren. Werkelijk autochtoon of inheems zijn slechts die soorten die de lage landen na de laatste ijstijd geheel op eigen kracht bereikt zouden hebben. Schapen horen daar bijvoorbeeld niet toe, evenmin als fazanten, korhoenders en huiszwaluwen. Hun aanwezigheid wordt als 'fauna-vervalsing' beschouwd. Ook onze spaarzame bossen blijken voornamelijk uit exoten (zoals de Canadese douglas en de Japanse lariks) te bestaan. Als gevolg van deze 'genetische vervuiling' door uitheems materiaal zou de vitaliteit van onze vaderlandse bossen sterk achteruitgaan. Van zoiets als oernatuur is in Nederland dus geen snipper bewaard. Om haar terug te brengen moeten allerlei dynamische processen opnieuw op gang gebracht worden. Een voorbeeld is 're-meandering', het met bulldozers aanleggen van kronkels en slingers in beken en riviertjes die ooit keurig gekanaliseerd zijn. Om wind- en waterdynamiek weer vrij baan te verschaffen worden verder op grote schaal zomerdijken doorgestoken, kleilagen afgegraven, nevengeulen aangelegd en hoge gronden opgeworpen. Het meest ambitieuze natuurontwikkelingsproject van dit moment, het Grensmaasproject, doet qua grootschaligheid niet onder voor de Deltawerken of vergelijkbare cultuurtechnische werken uit het verleden. Dit project wordt aan het grote publiek verkocht met de pakkende slogan 'Groen voor Grind', die ongewild het door en door technologische karakter van natuurontwikkeling onthult. Natuurontwikkeling en ontgrinding worden als twee kanten van dezelfde medaille voorgesteld. Het gaat daarbij om een nieuwe techniek, oppervlakkige in plaats van diepe ontgrinding, die nog ontwikkeld en beproefd moet worden.

Ook op het punt van de levende natuur is er heel wat werk aan de winkel. De natuurontwikkelaars streven naar verwijdering van exoten en naar de (her)introductie van verdwenen soorten. Helaas is een aantal soorten, dat zich hier na de laatste ijstijd gevestigd zou hebben, inmiddels uitgestorven. Dat geldt voor het reuzenhert en ook voor de mammoet, die vermoedelijk in strenge winters naar de lage landen zou zijn uitgeweken. Voor sommige uitgestorven soorten zijn echter (als resultaat van uitgekiende (terug)fokprogramma's) goede vervangers beschikbaar. Zo dient het heckrund als surrogaat van de oeros (?1627) en neemt de konik de honneurs waar voor de tarpan (?1887), het Europese wilde paard. Omdat het heckrund niet zo geschikt is voor gebieden waar recreatie is toegestaan, wordt momenteel een mensvriendelijke variant gefokt, de 'ecolander'. De ge(her)introduceerde kuddes runderen en paarden moeten zich een proces van verwildering of 'de-domesticatie' laten welgevallen. Met het doel om natuurlijke selectieprocessen opnieuw een kans te geven wordt bijvoeding gestopt en veterinaire hulp gestaakt, en worden de dieren rechtstreeks blootgesteld aan parasieten en predators. Zo moeten ze (weer) leren zich op eigen kracht en op seizoensgebonden wijze voort te planten, zich in harems te organiseren en zich allerlei vaardigheden eigen te maken. De stress en bijgevolg ook de sterfte onder dieren die aan verwildering worden onderworpen is zo groot dat gemiddeld slechts iets meer dan tien procent van alle (her)introductieprogramma's succesvol verloopt.

Dat natuurontwikkeling een puur technologische onderneming is, blijkt ook wel uit de retoriek die de (terug)fok- en (her)introductieprogramma's begeleidt. De ge(her)introduceerde dieren worden namelijk primair voorgesteld als instrumenten van een moderne vorm van natuurbeheer, die bedrijfszekerder en goedkoper zou zijn dan het traditionele (op de instandhouding van het agrarisch cultuurlandschap gerichte) natuurbeheer. Door de inzet van herbivoren (grote planteneters) – van grazers (zoals runderen), snoeiers (reeën en elanden) en 'intermediate feeders' (edelherten en wisenten) – kan dichtgroeien van bossen worden voorkomen en ontwikkelt het landschap zich tot een mozaïek van afwisselend open en dichte plekken. Tenminste voor zover ook de (her)introductie van predators (grote roofdieren), zoals wolven en lynxen, voortvarend ter hand wordt genomen. Gebeurt dit niet, dan verspreiden de planteneters zich onvoldoende en krijgen bossen geen kans zich over de hele linie te verjongen. Hoezeer de natuurontwikkelaars een instrumentele visie op de (her)introductie van dieren koesteren, blijkt vooral uit het gebruik dat zij van machinale metaforen maken. Herhaaldelijk is er namelijk sprake van het 'instellen van de graasdruk' door planteneters, van de 'aantalsregulatie' van deze goedkope 'maai- en snoeimachines' door hun natuurlijke vijanden et cetera. Van de ingenieursmentaliteit der natuurontwikkelaars getuigt ook de voorstelling van de natuur als 'hoofdaannemer' van natuurbeleid. Deze veel gebezigde uitdrukking verraadt dat de spontane, zichzelf regulerende en ordenende natuur, waar het in naam allemaal om draait, in werkelijkheid een door en door technisch geproduceerde natuur is.

Deze instrumentele visie op natuur sluit naadloos aan bij de 'ecosysteemtheorie' die aan natuurontwikkeling ten grondslag ligt. Hierin wordt de gehele biosfeer, met inbegrip van mens en maatschappij, voorgesteld als een reusachtig kringloopsysteem van energie, materie en informatie, dat dankzij de aanwezigheid van een reeks terugkoppelingsmechanismen binnen bepaalde grenzen in een dynamisch evenwicht verkeert. De al genoemde achtergrondstudie bij het nationale Natuurbeleidsplan drukt het als volgt uit: "In complete ecosystemen zijn alle radertjes van de machinerie aanwezig en loopt het geheel op zonne-energie zonder verdere input van buitenaf." Maar omdat er door tussenkomst van de mens in Nederland geen sprake meer is van complete ecosystemen grijpen de natuurontwikkelaars ook en vooral terug op de zogenaamde 'eilandentheorie'. Deze heeft betrekking op groepen of gemeenschappen van organismen. Ze voorspelt hoeveel soorten op een bepaald eiland zullen voorkomen, waarbij de grootte van het eiland en de afstand tot het vasteland de voornaamste parameters zijn. De eilandentheorie vertoont vanwege haar cybernetische uitgangspunten een sterke verwantschap met de ecosysteemtheorie. De groepen of gemeenschappen van organismen worden opgevat als systemen die via feedback mechanismen hun stabiliteit ten opzichte van een steeds wisselende omgeving proberen te bewaren. Daarbij wordt ook hier uitgegaan van het bestaan van een dynamisch evenwicht: hoewel de samenstelling van de soorten op een eiland voortdurend aan verandering onderhevig is, vormt hun aantal een constante grootheid.

Sinds haar introductie begin jaren tachtig heeft de eilandentheorie een bliksemcarrière gemaakt in het Nederlands natuurbeleid. Samen met de ecosysteemtheorie ligt ze aan de basis van de Ecologische Hoofdstructuur, met dien verstande dat natuurgebieden daarbij als 'eilanden in een zee van cultuurland' worden opgevat. Op grond van deze theorie streeft men ernaar het oppervlak van aaneengesloten natuurterreinen zo groot mogelijk te maken en daartussen zoveel mogelijk verbindingen aan te brengen. Zowel de ecosysteemtheorie als de eilandentheorie koestert de voorstelling van een ordelijke, in evenwicht verkerende natuur, die in principe volledig kenbaar en stuurbaar is. Tijd en toeval, onomkeerbare en onvoorspelbare gebeurtenissen spelen dan ook in beide benaderingen geen enkele rol. Het belang van stochastische processen wordt weliswaar erkend, maar uitsluitend vanuit de overweging dat soorten die deel uitmaken van stabiele ecosystemen veelal slechte verbreiders zijn en dus met uitsterven bedreigd worden wanneer ze als gevolg van areaalverlies en versnippering in een eilandensituatie terecht komen. Om deze soorten 'in beweging' te houden moeten ze (weer) blootgesteld worden aan natuurlijke processen 'in de vorm van lokale catastrofes, zoals bosbranden, stormen, maar ook in de vorm van biotische dynamiek, zoals begrazing, plaggen en predatie'. En waar de natuur het laat af weten, wil men het toeval wel een handje helpen, bijvoorbeeld door het omverhalen van bomen bij gebrek aan stormweer. Deze gedachtengang maakt duidelijk dat (stabiele) ecosystemen nog steeds als ideaal en ijkpunt gelden, en dat stochastische processen slechts 'getolereerd' worden voor zover de 'compleetheid' van deze ecosystemen ernstig is aangetast.

De statische en machinale visie van de natuurontwikkelaars staat haaks op de inzichten van de 'evolutionaire ecologie' die zich sinds de Tweede Wereldoorlog als geduchte rivaal van de ecosysteemtheorie heeft opgeworpen. De ongestoorde natuur is volgens de evolutionaire ecologen niet constant, noch op het niveau van populaties, noch op dat van ecosystemen, welk tijdsinterval of welke ruimtelijke schaal we ook kiezen. De evolutionaire ecologen hebben de idee van scherp afgebakende, stabiele, zichzelf regulerende systemen naar het rijk der fabels verwezen; ze vragen aandacht voor toestanden die 'ver uit evenwicht' zijn en erkenning voor de rol van unieke situaties en historische gebeurtenissen. De natuur is volgens de evolutionaire ecologen minder voorspelbaar en dus ook minder beheersbaar en bestuurbaar dan de natuur-ontwikkelaars het doen voorkomen. Vanuit evolutionair gezichtspunt is het geloof in de maakbaarheid van de natuur even suspect als de allergie voor het exotische en de obsessie met het waarlijk autochtone en authentieke, en is een hoogmoedig sciëntisme, dat de natuur tot 'hoofdaannemer' verlaagt, net zo ongepast als een deemoedig holisme, dat haar tot 'oernatuur' verheft. Natuur en cultuur zijn geen elkaar uitsluitende grootheden, maar vormen hybride mengsels (de 'cultuurnaturen' van Bruno Latour of de 'cyborgs' van Donna Haraway), die nu eens heilzaam en dan weer giftig uitpakken. De natuur staat open voor menselijke vormgeving, met alle mogelijkheden én risico's vandien. Wanneer deze boodschap maar eenmaal tot de beleidsmakers doordringt, kan natuurontwikkeling spannend en avontuurlijk worden – een experiment in de ware zin des woords.

Document Actions
Document Actions
Personal tools
Log in