35
years
v2_
 

De architectuur van het hypervlak en het vraagstuk van de interface

Essay van Stephen Perella, gepubliceerd in "Interfacing Realities," 1997.

De architectuur van het hypervlak en het vraagstuk van de interface

Interfacing Realities

Door de snelle ontwikkeling van het informatietijdperk en de stormachtige groei van cyberspace krijgen we te maken met nieuwe termen van ruimte en tijd die de toch al dualistische-schizo toestand nog verergeren. Dit vraagt om meer dan een technocratische oplossing. Het probleem duikt telkens weer op wanneer we voor een interface geplaatst worden en heeft te maken met verborgen aannames die in de taal werkzaam zijn, en met steeds terugkerende stoornissen die voortkomen uit materiële productie.

De nadelige effecten van het dualisme kunnen wellicht overwonnen worden door onderzoek te doen naar de dynamiek van metaforen en technologische interfaces, hoewel dualiteiten noodzakelijk blijven om met de complexe onzekerheden van het dagelijks leven te kunnen omgaan. Er schuilen nieuwe mogelijkheden in de radicale toepassing van technologie, die ook chaotisch potentieel bevat omdat wezen wordt losgerukt van lichaam, in de richting van ontlichaamd zijn.

De metafoor is een taalmiddel en als zodanig antropocentrisch. De metafoor bepaalt de logica van de interface. Een interface-metafoor verwijst naar zichzelf, verwijst naar het lichaam en andere vertrouwde zaken, zoals werkelijke objecten. Dieper in het mechanisme van de interface, in de virtualiteit, bevindt zich een wereld van instrumenta-liteit en manipulatie die een lichaamloze, gewichtloze immaterialiteit ondersteunt, waardoor functie en verlangen haarscherp worden afgebakend en geaccentueerd.

Beide werelden, door de metafoor gecombineerd, verbinden de belichaamden en ontlichaamden in een getransfigureerde, posthumane gesteldheid. 1 Deze techno-menselijke mutatie geeft een nieuwe betekenis aan de begrippen 'afzonderlijke lichamen' en 'zelf'. De virtuele wereld bergt radicale en problematiserende potenties in zich, die worden geactiveerd binnen de bindende kracht van de metafoor-als-interface. Wellicht onverwacht is het zo dat Virtual Reality (VR) ons niet simpelweg bevrijdt van belichaming maar eerder het levende zijn de-antropocentreert. Onder het mom van functionaliteit vormt deze kracht het menszijn om naar een onbekende gesteldheid, die tot dusver nog niet afdoende is beschreven. Het tegenover elkaar stellen van het reële en het virtuele als een vooronderstelde dichotomie verzwakt op subtiele wijze ons kennisfundament. Deze verarmde toestand, die een gevolg is van de krachtige binding van de metafoor (een bijna gewelddadige samenvoeging), kan het zijn zowel verarmen als verrijken tot iets anders dan een puur technologisch lot. Deze andere toestand is rijker aan mogelijkheden in de kloof tussen lichaam en geest. Het andere als zodanig, niet de technologische verworvenheid, zou centraal kunnen staan in de discussie over de rol van de interface-metafoor.

Dit dualisme concretiseert deze veronderstelde gelijkheid op het oppervlak van een beeldscherm. Net als het televisie/computerscherm vormt het vlak van de architectuur een 'ground zero'. Het is een dematerialiserende horizon van menszijn en plaats, de ultieme omlijsting voor de instrumentalisering van het leven. Het is wellicht de laatste vlaktecoördinaat in het universeel Cartesiaanse concept dat voorafgaat aan een implosie van de alomtegenwoordige werkingen van de rede in een zwart gat van culturele relativiteit. Het is het eind van de kwantificeerbare ruimte en tijd en het begin van een architectonisch concept. Wellicht vinden we nieuwe mogelijkheden in een architectuur die gedeconstrueerde dualismes omvat en taal en substantie samenvlecht.  K06  Dit is zowel een architectonische als filosofische onderneming waarin filosofie wordt opgevat als zijnde altijd al architectonisch, en de architectuur als mede-constituerend van leefwijzen. De bedoeling is om nieuwe mogelijkheden te openen en te intensiveren voor het realiseren van leven op topologische oppervlakken die zich ontvouwen in een complex, relativistisch verband. Door aandacht voor deze dynamiek te hebben, voorkomen we storende metaforen waarin betekenis is gereduceerd tot vastliggende voorstellingen. Om stromen en continue buigingen 2 te kunnen krijgen, moet taal een immersieve 3 gebeurtenis zijn en moet haar interface de materiële wereld in zich opnemen. Een interface splitst geen werkelijkheden meer, als verschillen en continuïteit worden geïntegreerd.  Deze verandering in het functioneren van de interface wordt teweeggebracht door de subtiele geometrische kracht van buigen. Buiging waarborgt continuïteit, behoudt interconnectiviteit en laat toch verschillen toe.

Een interface is niet alleen het scheidingsvlak tussen de ene ruimtelijkheid en de andere, maar maakt het mogelijk om verlangens over grenzen heen te projecteren en te beleven. Een interface regelt de laminaire stroom van betekenis, de wording van leven dat heen en weer gaat in de nooit aflatende problematiek van taal/substantie in een oneindig, aaneengeschakeld informatielandschap. Het scherm, dat steeds grotere hoeveelheden van onze intenties afhandelt, is niet meer dan een materieel artefact. Metaforen die te veel naar symboliek neigen, dienen alleen maar voor het organiseren van het overtollige. Het schermoppervlak wordt bedekt door programmatuur die de productie van werk structureert en daarmee de werking van de productie. De overdracht van leven, van kracht, vindt plaats binnen het gecombineerde complex van ons topo/neuro-lichaam (met z'n eigen feedback-systeem) in de richting van het gecombineerde complex van scherm-software (dat zich ook weer bevindt in z'n eigen feedback-systeem dat zich uitstrekt tot aan de verre einders van cyberspace). Als ons neuro/topo, verlangende lichaam/zelf bestaat in een meta-context waarvan het feedback-systeem alle (virtuele) impulsen die een omgeving kan doorgeven bevat, dan zijn ons belichaamde zelf en het domein van de technologische ruimte sowieso al met elkaar verbonden. Zo wordt de metafoor een gebeurtenis en is interface een horizonale snelheid of viscositeit; de metafoor wordt haptisch. Het teken heeft niet langer een loodrechte relatie tot het werkvlak, maar ontvouwt zich langs een raaklijn. De metafoor verandert in een werkzame kracht, die zich heen en weer beweegt door een technotopologie, een vervlochten intersubjectiviteit.

Hoewel de huidige interfaces ons veel efficiënter maken en nieuwe vrijheid geven, vergen ze ook dat we ons wezen en onze verlangens omvormen naar een context van immateriële informatica (een bereidheid iets te geloven). Hierdoor wordt subjectiviteit versmald tot de beperkende code van de informatieruimte. Als we deze tijdelijke reductie van volledigheid tolereren, zullen we de consequenties moeten dragen. Veel van wat we doen, strekt zich uit tot in de informatieruimte, waar ons werk, ons geld en onze expressie samenkomen. Deze reductie gaat gepaard met een gevoel van verlies; wellicht kunnen we een nieuw soort volledigheid herwinnen met immersieve interfaces en met aangeklede representaties zoals de avatars die nu op het Net verschijnen. Terwijl de immersieve interface wordt nagestreefd vanuit zowel culturele als technologische belangen, blijft het van groot belang ons af te vragen op welk moment we zozeer in iets opgaan dat er geen weg terug meer is. De menselijke wil construeert een wereldbeeld, en in die configuratie beleven we ons menszijn. Op het moment dat een technologisch opgeroepen domein zo belangrijk wordt dat we worden gedefinieerd door de logica van dat domein, raken we in feite ontlichaamd. Dat kunnen we beschouwen als een fundamenteel architectonische situatie. Het huisvesten van deze contouren van menszijn en menswording is een architectonisch project. De complexiteit van de huidige menselijke praxis, die zich niet beperkt tot belichaamdheid noch tot immaterialiteit, bevindt zich in een toestand van transfiguratie die vraagt om een vloeiende architectuur.

Het onderscheid tussen reëel en virtueel – een praktijkgericht onderscheid – is misleidend. Het virtuele is een verlengstuk van onszelf in een gefabriceerde en geconstrueerde ruimte. Het is geen aparte ruimte, maar een uitstulping van het zijn.  Het virtuele herschept de specifieke en lokale omstandigheden van onze lichamen en projecten. Virtualiteit geeft een nieuwe aanwezigheid aan ons werk door de technovertaling (codering) van onze handelingen. Virtualiteit, digitale ruimte en de technosfeer zijn werelden die ons virtuele werk terugspiegelen naar het domein van het 'levend' leven en belichaamd zijn. Werk dat kan worden verricht in een ruimte zonder de restricties van een belichaamd zijn, heeft verbanden met onze activiteiten en ons zelfbegrip als belichaamde wezens. Maar de ervaring in deze ruimte keert als fantasie of fantasme terug in het werkelijke, en dat is de uiteindelijke kritische impact van interface-metaforen. Collectief gezien zijn we niet langer hetzelfde en kunnen we nooit meer terugkeren naar een staat van onschuld, nu er sprake is van een langzame, onmerkbare erosie door de technologie van de interface.

De binaire reductie van de fysieke en de immateriële werelden wordt ondermijnd door de machinaties van het hyperkapitalisme. Hoe onafhankelijker elk domein van het andere opereert, hoe meer er door autodeconstructie een onbedoelde buiging en vervlechting van dualiteiten ontstaat, die de fundamentele premisse van de interface verandert. 4 Voor een alternatief voor de totale afschaffing van de dichotomisering zouden we ons kunnen richten op de naden en scheuren van de ontstane buigingen die door deze crisis van het humanisme worden veroorzaakt. De eerste aanwijzingen voor een (architectonische) reactie op deze crisis in de representatie liggen in een begrijpen van de toekomst van de architectuur door middel van projecten die staan voor twee dominante richtingen in de architectuur en de cultuur: ten eerste de 'gefragmenteerde' vorm en ten tweede de 'pixel architectuur'.  Beide benaderingen geven enerzijds aan hoe het object van de architectuur wordt gedeconstrueerd en anderzijds hoe de zingeving binnen de architectuur (de subjectiviteit) wordt gedeformeerd, geprojecteerd en door de elektronische praktijk heftig wordt gemanipuleerd. Op het raakvlak waar deze twee richtingen zich vervlechten door een buiging, ontstaat wat ik een 'hypervlak' noem. En dat is geen metafoor, maar een conditie die ontstaat tussen een veelheid van gemodificeerde asymptotische relaties.

Een hypervlak is een drempel waarbij de dichtheid van verschil in een interface levensvatbaar, zelf-configurerend en autopoietisch is. 5 Dit is een effect van de snelheid (Paul Virilio) die een ondoorzichtigheid en vertraging veroorzaakt hetgeen leidt tot uitstel en associatief spel. Wanneer dit gebeurt, verandert de interface van een inzichtelijk hulpmiddel in een oppervlak dat is gemarkeerd door meervoudige, ongelijksoortige krachten. Het absorberen van het verschil en de overdracht van krachten creëren een hypervlak, een architectonische manifestatie die levenskrachten combineert met emergente6 figuren. Deze toestand van bewoonbare kunst en het bewoonbare andere vloeit rechtstreeks voort uit een relativistische context van zelf en materiaal. Deze haptische architectuur houdt zich niet bezig met ruimte en tijd, maar met dichtheid en betrokkenheid. Zij implodeert tijd-ruimte tot een dicht netwerk van singulariteiten die verschillen hanteren binnen een dynamisch verband. In die zin wordt architectuur een werkwoord, geen zelfstandig naamwoord.

Wij zijn in de eerste plaats ingebed in taal, en door de wederkerigheid van de taal worden we steeds meer getranscribeerd naar een digitaal domein.  De doordringend aanwezige interface en de immersie in technotopologie situeren het leven als stromen en krachten in oppervlakken van gebeurtenissen. De krachten van de digitale media en de dynamiek van de materiële wereld komen in een relatie tot elkaar te staan. Dit voltrekt zich via buiging als een artefact en door modificatie van een instrumentele interface.

De Möbius-band is een voorbeeld van beide toestanden: er wordt schijnbaar een binnen en een buiten afgebakend (een instrumentalistisch perspectief), maar als we het oppervlak volgen, wordt het een tijd-ruimtelijk continuüm. Via interfaces investeren we steeds meer van onszelf in techno-oppervlakken. Een statische interface werkt niet, dus kunnen we alle interfaces beter beschouwen als mechanismes die gebeurtenissen genereren. Als een interface een middel is tot instrumentalisering, is het niet meer dan een hulpmiddel; dan wordt hij geconcretiseerd en bekrachtigt alleen nog subject/object relaties. Maar een interface is ook een middel om verlangen te verspreiden en te vervullen, en dat leidt tot stromen die om een architectonische respons vragen.

De werkelijk virtuele onderlinge relatie is een vouw of plooi die nieuwe potenties mogelijk maakt, die ons in staat stelt efficiënter te bewegen binnen een intermediaire, immateriële wereld maar die ook interconnectiviteit tot stand brengt. De mate van connectie kan een onverwacht effect zijn van de elektronische technologie. Minstens twee gezichtspunten verdienen overweging: ten eerste dat VR een technologische, zelfs sociale afstand schept en ten tweede dat de nieuwe mogelijkheden van maatschappelijk verkeer in een ge-internette wereld leidentot nieuwe technologieën van zelf en intersubjectiviteit.

De radicale samenvloeiing en mutatie die latent aanwezig zijn in de nieuwe media bieden nieuwe mogelijkheden voor een interventie door het niet-logische in de wereld van de rede. Deze vervlechting kan een nieuwe opvatting initiëren in de kunst en (vanwege de verbindingen met de kunst) in de architectuur.7 Dan kan de kunst worden bevrijd uit haar onderdrukte positie binnen de architectuur. Kunst is geen aanscherping van de scheiding echt/onecht; het is geen categorie waarvan we de grenzen los van de architectuur kunnen vaststellen, want kunst gaat daaraan vooraf. Kunst is een nieuwheid die verschijnt op het podium van de cultuur als gevolg van dynamische krachten die niet kunnen worden voorspeld of gemeten. Kunst is datgene wat middenin de echte VR-interface opkomt als het andere. Kunst is andersheid, niet een grensgebied dat moet worden veroverd door helden-kunstenaars.

Kunst, praktijk en identiteit zijn onderling samenhangende kwesties die worden getransformeerd door de logica van nieuwe media.  Kunst en alteriteit, andersheid of poiesis zijn potentiëlen binnen deze nooit eerder voorgekomen, elektronische context, en leiden tot nieuwe kunsttheorieën. Wat anders is, en daarmee het twistpunt vormt in discussies over kunst en de nieuwe media, is dat een elektronisch verband individuen en collectieven werkelijk samenbrengt, zonder een deugdelijke basis voor identiteit te leggen. In dit licht van ge-internette intersubjectiviteit vestigt een nieuw niveau van immanentie een provisorische basis van waaruit nieuwheid en andersheid kunnen opkomen. Het belangrijkste aspect hiervan is, dat kunst in plaats van een autonome activiteit nu een mogelijk gevoel wordt dat voortkomt uit de context en problematiek van het dagelijks leven. De manier waarop we werken en leven, is in de meest banale (maar verregaand elektronische) zin de context van waaruit kunst voortkomt als autopoiesis (dit is geen dynamiek die is gemodelleerd naar biologische metaforen). Op de interface tussen taal en substantie in de nieuwe-mediapraktijk bevindt zich een cruciaal kruispunt waar de anders-heid zowel kan worden onderdrukt als opgeroepen.

Andersheid is datgene wat niet kan worden benoemd of gekend. Dit wil niet zeggen dat we niet proberen het andere aan te spreken: het potentieel om dat te doen is thans voorhanden. Het andere kan zich voordoen in de interactie met een persoon, met iets uit het verleden of het heden, of in de paradox van de dood. De andersheid verleent de kunst haar vitaliteit, in het tegemoet treden van het onbekende. Het bekende verhult het andere, meestal om een werkelijke uitwisseling te vermijden. Iets kennen en begrijpen betekent controle en instrumentaliteit, gepaard aan functionaliteit. Het andere is datgene waarop zulke tendenzen geen vat krijgen, terwijl het toch gebonden blijft aan begrippenkaders.

Als cyberspace een reconstructie van de werkelijkheid is, dan is het in zekere zin een overtollige wereld. Als we deze overtollige wereld betreden via de interface van de nieuwe media, poneren we metaforen als toepassingen van het bekende in een onbepaalde onbekendheid, waarbij de gewoonten van de metafoor zich uitstrekken tot in het virtuele.  We verkennen het onbekende door het bekende eroverheen te leggen. Maar naarmate de technologie indringender wordt en ons hele bestaan omvat, zullen opkomende problematieken in en door elkaar gevouwen worden. In plaats van te forensen naar cyberspace, kunnen we wellicht echte verbindingen opzetten in een hyperreële omgeving, waarbij we realiteiten door elkaar weven tot een continu, veelvoudig weefsel.


1. Theoreticus N. Katherine Hayles in How We Became Posthuman: Virtual Bodies in Cybernetics, Literature, and Informatics, University of Chicago Press, 1997.
2. noot van de redactie: het woord buiging (inflection) is een directe verwijzing naar Bernard Cache en Gilles Deleuze (Le Pli).
3. noot van de redactie: gekozen is hier om het Engelse begrip 'immersive' te vertalen met immersief. Het woord dat in het Engels op velerlei wijze gebruikt kan worden, zou in het Nederlands door een hoeveelheid aan begrippen vertaald moeten worden, waardoor het verband verloren dreigde te gaan.
4. Dit is ten dele beschreven door de post-Heideggeriaanse filosoof Gianni Vattimo in zijn stelling over de 'crisis van het humanisme' in The End of Modernity.
5. Volgens Humberto Maturana (Maturana en Varela, Autopoiesis and Cognition: The Realization of the Living, Boston: D. Reidel, 1980) is deze term rond 1972 bedacht door een combinatie van het Griekse auto (zelf-) en poiesis (creatie, productie). Het begrip wordt formeel als volgt gedefinieerd: een autopoietisch systeem is georganiseerd (als eenheid bepaald) als een netwerk van productieprocessen (transformatie en destructie) van componenten dat de componenten produceert die:
a. door hun interacties en transformaties continu het netwerk van de processen (relaties) die hen hebben geproduceerd opnieuw genereren en realizeren, en
b. het (de machine) constitueren als een concrete eenheid in de ruimte waarin zij (de omponenten) bestaan, door het topologische domein van de verwerkelijking ervan de specificeren als zo'n netwerk.
6. noot van de redactie: 'emergence' is hier vertaald met emergent. Dit begrip komt uit de biologie en verwijst naar de notie dat levende materie bestaat uit betrekkelijk eenvoudige stoffelijke elementen, die samengevoegd zijn tot complexe systemen. Daarbij blijkt dat de toename van structurele complexiteit resulteert in geheel nieuwe kwaliteiten die op grond van de samenstellende elementen niet te voorzien waren.
7. Denis Hollier, Against Architecture, 1989, MIT Press, Cambridge, Massachusetts

 

 

© 1997 Stephen Perella / V2_

Document Actions
Document Actions
Personal tools
Log in