35
years
v2_
 

Naar een dramaturgie van verschillen

Essay van Siegfried Zielinksi, gepubliceerd in "Interfacing Realities," 1997

Naar een dramaturgie van verschillen

Interfacing Realities

"For why, the senseless brands will sympathize
The heavy accent of thy moving tongue,
And in compassion weep the fire out;
And some will mourn in ashes, some coal-black,
For the deposing of a rightful king.1"
Een interface brengt een onderscheid aan, anders zou het een leeg begrip zijn.
Een interface is iets wat verbindt, anders zou het ook een zinloos begrip zijn.
Een interface markeert een onderscheid.

Het bewustzijn met behulp waarvan we onze ideeën vormen en die bijvoorbeeld door middel van spraak uiten, is een interface, de oudste die we kennen. Hier wordt vorm gegeven aan wereld/werelden/realiteit/realiteiten. We proberen met behulp van deze interface te begrijpen wat zich aan ons voordoet, kort gezegd: in de ruimste zin van het woord het andere, dat wat niet identiek is aan ons.

De interface bepaalt de verhouding van het ene tot het andere, die verschillend is en in wezen onbekend, en omgekeerd: door de interface toont het andere zich aan het ene, en wel in die aspecten die begrijpelijk zijn.

Zoals in elke communicatie die op techniek is gebaseerd, bestaat er in de telematica een interface die zowel het verschil als het verband aangeeft tussen de wereld van handelende individuen aan de ene kant en de wereld van werkende apparatuur en programmatuur aan de andere kant. Hij maakt onderscheid en geeft het verband aan tussen 'media-mensen' en 'media-apparaten'. Hij vormt de grens waarlangs het medium gestalte krijgt.

In navolging van de denkbeelden van de psychoanalyticus Lacan maak ik in de mediadiscussie onderscheid tussen het reële en de realiteit/realiteiten (de vraag of het gaat om een realiteit die in meerdere realiteiten is op te splitsen of dat ik van meet af aan met een concept van een meervoudige realiteit werk, acht ik van ondergeschikt belang; in welke richting je het antwoord ook zoekt, het probleem los je er niet mee op maar verschuif je alleen). Het reële kan in principe niet in woorden worden gevat of in andere tekenstructuren worden vastgelegd of begrepen. Dit is het uiteindelijk onzegbare. Vereenvoudigd uitgedrukt is het dat gebied van het mentale dat het verst verwijderd is van het symbolische en dat het dichtst bij de fysieke ervaring ligt, dat wil zeggen bij de begeerte en de dood. Het is het onbekende, dat zich aan ons voordoet in het andere, en waarvan het niet-geconstrueerde deel uitmaakt. Bataille zou het misschien het onmogelijke hebben genoemd – ter onderscheiding van het mogelijke/virtuele.

Realiteit heeft betrekking op die dimensies van de wereld/werelden die we kunnen formuleren en begrijpen en die door ons (mede) zijn geconstrueerd. Aan het einde van de twintigste eeuw zijn de realiteiten die we kennen, sterk van media doordrongen/erdoor bezet. Het Internet bijvoorbeeld is een interdiscursieve media-realiteit die uit sociale, technische, culturele, esthetische et cetera realiteiten is opgebouwd en daardoor vorm heeft gekregen.

Bij virtualiteit of het virtuele (ik probeer het verkopersjargon te vermijden en spreek niet van 'virtual reality') gaat het niet om een materiële wereld, een ding-wereld of een levens-wereld, maar om iets immaterieels, iets wat alleen als programma voorhanden is, iets symbolisch, dat door ons zintuiglijk in een tekenstructuur is waar te nemen (in abstracta, figuratief, in beeld-ruimten, in iconen, imaginair). Het virtuele heeft (nog) prothese-achtige verlengstukken naar de ding-wereld/levens-wereld, in de vorm van data-helmen, -brillen of -handschoenen, muizen, toetsenborden enzovoort. Maar dat zijn alleen de uiterlijke speelvlakken voor het achterliggende programma. Het virtuele is de schijn, het vervult de functie van het bewustzijn. Het virtuele vormt de scheidslijn, wat in het Engels wordt aangeduid met de vriendelijke term interface. Uit die term spreekt niet het drama van de scheiding dat in 'scheidslijn' besloten ligt.

De grote kans die de alle telematica biedt, is om een spanning op te bouwen tussen het lokale en mondiale, tussen lokale identiteiten en gebeurtenissen enerzijds en mondiale processen/structuren anderzijds: het andere in zijn anderssoortigheid respecteren, zijn autonomie bewaren of ondersteunen, en het tegelijk niet isoleren maar het in staat stellen om deel te nemen aan het mondiale uitwisselingsproces. Een permanente vermenging (om dit alchemistische begrip te gebruiken), waarbij echter de mogelijkheid van ontmenging geen moment uit het oog verloren wordt. Dit gaat het grote kunststuk van de komende jaren en decennia worden.

Kunstenaars hebben bij de productieve creatie van deze spanning een vooraanstaande taak. Ze zijn (in het ideale geval) agenten van het lokale. Het lokale is de context voor hun handelen, omdat zonder locatie de subjectiviteit zich niet kan ontplooien. Kunstenaars zijn daarom bij uitstek de aangewezen personen om het lokale te ondersteunen, te bevorderen en zich sterk te maken voor de ontplooiing daarvan.

Als ik de telematische kunst zie als een kunst van het connectionisme, als een vorm van de n-dimensionale verbindingen, dan is haar verbeeldingsgehalte de verbinding van het heterogene. Om dat wat al gemondialiseerd/geuniversaliseerd is, nog eens te verbinden, zou een tautologie zijn. Mijn voorstelling van een connectionistische Internationale omvat de permanente rebellie van de eenling tegen het geheel en de hoop op ontelbare nederlagen van het geheel tegen de eenling. Relaties zijn voortdurende experimenten – of graven. Het Internet als massagraf is een gruwelijke voorstelling (van de realiteit).

Tegenwoordig spant men zich in de telecommunicatie en vooral op het World Wide Web in om het verschil tussen media-mensen en media-apparaten en media-programma's te camoufleren. Het belangrijkste en overheersende middel in deze hegemoniale strategie is de illusie. En dan niet in de zin dat daarbij iets op het spel wordt gezet, maar veel meer in de zin van een risicoloze identificatie met de wereld van iconen, symbolen en relaties zoals die op het beeldscherm verschijnt. Deze illusie wordt tegenwoordig voornamelijk op twee manieren toegepast: door concepten met een primair ruimtelijke oriëntatie in de traditie van de Ars Memoriae of door concepten die primair tijdgeoriënteerd zijn, zoals in de klassieke Aristoteliaanse dramaturgie. Het doel van deze strategie, in wezen een dubbelstrategie, is dat de één (media-mens) de illusie moet hebben dat hij volledig in het andere (o.a. de media-apparaten) kan opgaan. Dat wordt virtual reality of telepresence genoemd. Het andere moet via de illusie in het een opgaan en daarvan de identiteit kunnen aannemen. Dat is met name de wereld van de metafoor.

De waarneming van het virtuele (die niet gelijkstaat met het programma, dus met het symbolische gehalte) is een ervaring in de eerste persoon, en dus subjectief. Hard geformuleerd komt het hier op neer: als deze ervaring collectief zou worden georganiseerd, dus als het programma van de ervaring zou worden opgedrongen, dan bevonden we ons in een soort digitaal fascisme. Collectiviteit dient er, naar mijn mening, uitsluitend te zijn in de subjectieve ervaring van virtualiteit als een utopisch potentieel, een verlangen, een vermoeden van een onmogelijke toestand. Het mogelijke (virtuele) ontplooit zich op creatief/mooi/ethisch acceptabele wijze alleen binnen de spanning met het onmogelijke. Alle metaforen met als taalkundige stam woorden als fluïditeit, stromen, de oceaan ... vinden hun oorsprong in het verlangen.

Metaforen zijn vergelijkingen. Metaforen hangen als vorm van denotatie met inbegrip van esthestische denotatie (en de mogelijke betekenis daarvan) ergens tussen het beeldende, het symbolische en het raadselachtige in. Metaforen komen voort uit de behoefte en het vermogen van zowel de geest als het gevoel "om zich niet tevreden te stellen met het eenvoudige, gewone en vlakke, maar ertoe overgaan om het andere op te zoeken, zich bezig te houden met het afwijkende en het tweevoudige samen te voegen".2

Metaforen worden gemaakt om iets te versterken, te verdichten, te verdiepen, te verheffen, anders woekeren ze alleen voort in de fantasie van hun bedenker. Dit 'iets' is of geestelijk of materieel. Metaforen worden gemaakt om het materiële met behulp van het geestelijke te veredelen of om het geestelijke door een vergelijking met het materiële overtuigend aanschouwelijk te maken, te profaniseren, te concretiseren (objectiveren).

In de wereld van de metafoor staat de relatie tot het leven opvallend centraal; de biologie heeft als discipline haar leidende functie behouden. Het idee dat hieraan ten grondslag ligt, is dat het levende een voortdurend continuüm is dat onafgebroken in beweging is (en daarom dus ook harmonisch is). De wereld van apparatuur en programma's is planmatig geconstrueerd en berekend. Alles in deze wereld is gebaseerd op getallen en logische en systematische relaties tussen getallen. In die zin is die wereld consistent en coherent in al de complexiteit die het spelen met getallen mogelijk maakt. Aan de wereld van het levende ligt niet zo'n betrouwbaar ontwerp ten grondslag. Het voornaamste verschil is dat die wereld principieel onomkeerbaar is. Technologische, sociale en culturele systemen zijn zowel extreem discontinu in hun ontstaan als in hun actuele omvang. Alle metaforen die een vrije stroom van informatie beloven, die de oceaan als navigatieveld oproepen, stromen, genen, rhizomen en wat dies meer zij, die communicatiestructuren als bomen of als wortels ervaarbaar willen maken, zullen op dit punt stranden.

De telematische netwerken verbinden technische artefacten en complexe systemen van artefacten met politieke, culturele en esthetische structuren, dus zijn het al verbindingen van het 'tweevoudige'. Het Net is zelf al een vergelijking, een triviaal beeld, een vervlakking van hetgeen ik mij voorstel bij het daarmee beschreven complexe communicatieproces. Als het ons in de eerste plaats gaat om het verbindend potentieel ervan, moeten we proberen het ook als zodanig te benoemen: connectionisme versus een naïeve vissersdorp-idylle.

Niet alleen in de huidige discussie op en over het Net wordt deze verbinding van complexe fysieke en immateriële eenheden en structuren weer eens vergeleken/verbonden met het levende/het leven dan wel met aspecten daarvan. Daarin besloten is zowel het streven naar verheffing van het profane (het technische, het politieke...) als de verzakelijking/veruitwendiging van het niet of moeilijk te doorgronden, van het structurele (dus in wezen geestelijke). Beide tendenzen vragen erom te worden bekritiseerd.

In de telematische netwerken stroomt niets, en al helemaal niet vrij. Het proces in netwerken is discontinu en zowel lokaal als mondiaal gedetermineerd. In telematische netwerken ontwikkelt zich niets op 'genetische wijze'. Ze volgen de wetmatigheden van programma's/voorschriften, hoe complex die ook mogen zijn. Alleen voor degenen voor wie het leven een programma is (of het programma een leven is) heeft deze vergelijking zin. De filigrane, niet-hiërarchisch geordende wortelsystemen leven in het verborgene, onder de grond. Wat eruit opgroeit, heeft hiërarchische structuur, want zodra het zichtbaar wordt, wordt het verbonden met het beschavingsproces. De telematische netwerken hebben het stadium van de zichtbaarheid al bereikt.

De metafoor van het landschap is in die zin behulpzaam, omdat landschap al, net als de architectuur, een conceptueel/constructief karakter heeft. Landschap is geciviliseerde, gestructureerde levensruimte. Maar – om een triviale vraag te stellen – is het dat wat we werkelijk willen? Wanneer de ontwikkelde telecommunicatie-fenomenen en structuren potentieel (en daarom virtueel) dynamisch, chaotisch, niet-lineair en multidimensionaal zijn, wat heeft het dan voor zin om daarop dezelfde wetmatigheden toe te passen die ons landschap hebben gevormd?

Natuurlijk hebben metaforen ook een praktisch nut, bijvoorbeeld voor degenen die machines en programma's maken. Karlheinz Barck formuleerde dit in zijn studie over Poesie und Imagination (1993) als volgt, met betrekking tot het begrip Scienza Nuova van Giovanni Battista Vico: "Het samenvoegen van delen, het leggen van analoge betrekkingen, het vergelijken en onderscheiden van overeenkomsten tussen zaken – dat kenmerkt de methodiek van de uitvindende bezigheden van de technicus, en dat vormt [...] het karakteristieke van elke metaforische taal."

Wat we mijns inziens nodig hebben is een taal (van teksten, beelden, geluiden en hun verbindingen) die het technische en politiek/culturele karakter van artefacten, systemen van artefacten en structuren van de telecommunicatie in ruimere zin niet verhult, maar juist openlegt, in haar gebruik oproept en ernaar verwijst. Discontinuïteit, dynamiek, omschakelingen, contacten, sturing, energieën, onderbrekingen, macht, verdeling ... het potentieel aan relaties is zo rijk als het technische en politiek/culturele terrein zelf.

Ik ga uit van het dualisme van media-mensen en media-machines, respectievelijk programma's. Dualismes zijn noodzakelijk, anders zouden we helemaal niets duidelijk kunnen maken. Misschien vormen ze een overgangsfase, maar ik ben ervan overtuigd dat (de praktijk van) de kunst die de interface dramatiseert als een grens tussen het ene en het andere, de enige mogelijkheid vormt om tot een kwaliteit van een verbinding te komen die zich onderscheidt van een simpele keuze voor het ene of het andere.

Ik zou willen pleiten voor het experiment van een interface ...
- die niet van 'virtual reality' uitgaat, maar van eventualiteiten, van mogelijke afzonderlijke gebeurtenissen in plaats van een homogene, berekende schijnwereld;
- die ervaarbaar laat dat het om een (technisch, grammaticaal) geconstrueerde wereld gaat door middel van en waardoor wij toegang tot de ander verkrijgen;
- die een experimentele verhouding van de gebruiker met de interface mogelijk maakt;
- die minder louterend werkt en meer episch provoceert;
- die daarbij echter niet vergeet dat de wereld van de communicatie een wereld van de zintuigen is zonder welke niemand de moeite zou nemen om met de ander of het andere in contact te treden.

Waarom denken we altijd weer dat we bij alles van voren af aan moeten beginnen en dat we de wereld iedere dag opnieuw in z'n geheel moeten uitvinden?

Ik dank Otto E. Rössler en Wolfgang Ernst voor hun waardevolle suggesties.

Iedereen die zich vanuit theorie of kunst interesseert voor interfaces, zou op z'n minst kennis moeten nemen van de volgende literatuur:
het werk van S. J. Gould (met name Punctuated Equilibria: The Tempo and Mode of Evolution Reconsidered, 1977); Tractatus Logico-Philosophicus van Wittgenstein; het werk van Edmond Jabès (met name Zur Subversiven Tätigkeit); Bio-Adapter van Oswald Wiener, het radicaal subjectieve concept van een interface vanuit het perspectief van het individu als verzameling van attractoren; Brechts Kleines Organon für das Theater en zijn Me-ti – Buch der Wendungen; W. F. Gutmanns Organismus und Konstruktion I (1987); Ilya Prigogine's Vom Sein zum Werden. Zeit und Komplexität in der Naturwissenschaften (Deutsch: 1979); en ook de belangrijke essays over de heuristiek van media-machines van tandarts Jean-Louis Baudry.

1. Shakespeare, Richard II, vijfde acte, eerste scene.
2. G.W.F. Hegel, Ästhetik, Bd 1 Gesammelte Werke, Ausgabe Suhrkamp, Frankfurt am Main.

© 1997 Siegfried Zielinski / V2_

Document Actions
Document Actions
Personal tools
Log in