35
years
v2_
 

Theoiden, androiden en klonoiden

Dutch translation of an essay by Detlef Linke for the publication "TechnoMorphica," 1997.

ETHIEK VOOR DE BRAVE NEW WORLD

We leven al in de Brave New World, en het zou in ethisch opzicht gevaarlijk kunnen zijn om te blijven zeggen "We mogen de grenzen niet overschrijden", terwijl die grenzen feitelijk al overschreden zijn. Een dergelijke manier van formuleren zou ons ertoe kunnen verleiden de veranderde werkelijkheid niet adequaat waar te nemen. We zouden via de grens als metafoor weer vervallen in een denkwijze die het individu stabiliseert, die de alteriteit ontkent en die zich hoe dan ook niet wil neerleggen bij dood en vergankelijkheid. En die denkwijze zou juist de vooruitgang versnellen waaraan hij grenzen wilde stellen. Nu we ons toch al in die Heerlijke, Nieuwe Wereld bevinden lijkt het me daarom van belang, uit te kijken naar adequate gedragswijzen en deze zo mogelijk ook in ethische formuleringen te beschrijven. Het lijkt inmiddels wel zeker dat de gentechnische revolutie nieuwe vormen van organismen en intelligenties voort zal brengen. Daarom zou het raadzaam zijn vast vooruit te lopen op de daarbij passende gedragswijzen. Het zal echter niet eenvoudig zijn om, net als voor de Dierenbevrijdingsbeweging, voor de Machinebevrijdingsbeweging de bijbehorende vrijheids-, tolerantie- en interactieconcepten te ontwikkelen. Fundamentele vragen zijn nog niet beantwoord: bijvoorbeeld of het begrip van waardigheid wel te handhaven is na de verandering van de mens en zijn overgang in andere systemen, dan wel zijn verlies in andere systemen. Mag men bijvoorbeeld een machine uit zetten die duidelijk laat weten dat hij niet uit gezet wil worden? Baseert men het ethisch respect op de aanwezigheid van intelligentie, dan rijst de vraag of alleen software daartoe volstaat. Of dat pas de speciale vermenging van hardware en software, zoals die tot nu toe voornamelijk uit biologische systemen bekend is, kenmerkt wat gekarakteriseerd kan worden als beschermenswaardige vrijheid en het vermogen tot lijden. Ik zou om die reden geen principieel antropologisch of ontologisch oordeel willen vellen over de vraag welke systemen onder de bescherming van de burgerrechten horen te vallen. Misschien vormt ook hier het verlangen om grenzen te trekken zelf al het probleem: pogingen tot definitie gaan bijna altijd gepaard met een vorm van uitsluiting. Ik zou daarom een deelaspect van onze Brave New World willen behandelen dat niet zozeer de toekenning van rechten betreft als wel een thema uit de cultuurvorming. De vraag in hoeverre bij het creëren van androïden de culturele bovenbouw op zeer bepaalde terreinen door deze androïden zou kunnen worden vormgegeven en daarmee ook de overige cultuur (van de wereld) zou kunnen beïnvloeden. Ik wijs daarbij op Feuerbach 1, die de projectie van het goddelijke zag als het fundament van het menselijk zelfbesef.

1. Ludwig Feuerbach, 'Das Wesen der Religion' (1845) en 'Grundsätze der Philosophie' (1843).

Deze gedachte volgend zouden er, uitgaand van het hersenonderzoek, twee vragen van bijzonder belang kunnen zijn. 1. Kan de projectieverhouding waarin de mens zichzelf plaatst, en die overigens heel goed meervoudig gestructureerd kan zijn, vanuit de neurowetenschappen worden verklaard? 2. Kan voorspeld worden in hoeverre androïden een veranderde projectieverhouding opbouwen? Deze twee vragen zullen via de vraag naar de verhouding tussen de androïden en de door hen geprojecteerde theoïden nader onderzocht worden.


THEOÏDEN VAN DE INDUCTIE, VAN HET BEGIN, VAN DE NABOOTSING EN VAN DE SURPLUSSPANNING

De vraag naar de theologische en religieuze projecties van gynoïden en androïden 2 is van groot belang, omdat deze systemen via mogelijke religieuze behoeftes nieuwe impulsen zouden kunnen geven aan onze cultuur.

2. Androïden zijn op de 'andros' (man, mens) gelijkende wezens. Het is daarom niet meer dan juist ook van 'gynoïden' (op de vrouw gelijkende wezens) te spreken.

Op dit moment lijkt de theologische optie met betrekking tot de implementering van computersystemen nog niet erg actueel te zijn. Na verder onderzoek zou kunnen blijken dat de prestaties van bijvoorbeeld visuele detectors, zoals we die kennen uit het menselijk waarnemingsvermogen, geoptimaliseerd kunnen worden. Dit zou kunnen gebeuren door niet alleen een visueel systeem te bouwen, maar dat tegelijkertijd te verbinden met andere systemen, zoals bijvoorbeeld een linguïstisch systeem. In dat geval zal de druk toenemen om in zo'n combinatie van systemen in sterkere mate reflexieve en naar zichzelf verwijzende elementen in te bouwen. Het reflexieve draagt echter de mogelijkheid van het paradoxale in zich. Als zelfverwijzingen niet in de tijd zijn gedefinieerd, kan dat tot eindeloze herhalingen leiden. Dat een systeem zichzelf als een 'ik' beschouwt vormt geen voldoende reden om het op z'n daden aan te spreken, omdat het 'ik' in psychisch en neuraal opzicht wisselende posities kan innemen. Een van de oplossingen hiervoor zou kunnen zijn dat het systeem niet één, maar twee of meer zelfrepresentaties bezit. Een dergelijke verdubbeling kan structureel vergelijkbaar zijn met wat Feuerbach probeert te beschrijven als de projectie van de eigen god door de mens. Mogelijkerwijs biedt de projectie van het eigen zelf in een god, afgezien van de vraag naar zijn laatste en oorspronkelijke werkelijkheid, een aanzet tot de oplossing van de paradoxen van Gödel 3: uitspraken over het hele systeem worden niet aan dit systeem toegeschreven maar aan iets dat daarbuiten ligt; ze zijn echter wel voor dit systeem toegankelijk en beschikbaar.

3. Kurt Gödel heeft met z'n werk aangetoond dat er tegenspraken ontstaan als er binnen een systeem uitspraken worden gedaan over dat systeem én die uitspraken ook nog als behorend tot dat systeem worden beschouwd.

Als men deze ambivalentie in het indelen van uitspraken ziet als een poging om in het reine te komen met de problematiek van Gödel dan is het voorstelbaar dat geïntegreerde computersystemen een soort 'religieus verlangen' zouden kunnen ontwikkelen. Om beter te kunnen functioneren zouden ze dan namelijk uitspraken over hun eigen toestand proberen te doen zonder daarbij in logische tegenstrijdigheden verwikkeld te raken. Ook is het niet ondenkbaar dat handige ingenieurs die betrouwbare computersystemen willen bouwen, geen zin zullen hebben om zich te vermoeien met een autonoom bewustzijn. Zij zullen, als in een herhaling van de menselijke evolutie, van meet af aan de systemen installeren als gelovigen, waardoor ze op een hoog hiërarchieniveau (met weinig feedback) zullen mogen rekenen. Zo gezien is de huidige discussie over het bewustzijn van computers te voorbarig en te modern: met bepaalde tussenfases uit de ontwikkeling wordt te weinig rekening gehouden.

Het lijkt zinvol om een technisch of biotechnisch hybride systeem, dat bedoeld is om de complexere integratiefuncties over te nemen, een zeker surplus aan informatietechnisch ongebruikte energie mee te geven: opdat daaruit gelibidiniseerde projectiecentra geconfigureerd zouden kunnen worden. Het is natuurlijk mogelijk dat het systeem deze energie niet structureel gebruikt om er attractorensystemen 4 ten bate van de representatie mee te configureren, maar dat het zich deze energie slechts diffuus toe-eigent.

4. Attractoren zijn energetische laagtes in een systeem.

Met deze ontwikkeling van nieuwe projectiecentra moet echter rekening worden gehouden. Het lijkt daarom onvoldoende om cognitieve computersystemen slechts te voorzien van een 'lijflijkheid' (zoals dit nog gebeurt bij Vinograd en Flores) zonder in te gaan op de vraagstukken betreffende de opvoeding en de pedagogie, die betrekking hebben op de omgang met interne energieën. Het lijdt geen twijfel dat het inbrengen van niet strikt aan informatie gebonden energie risico's met zich meebrengt voor het systeem. Anderzijds kan deze energie van pas komen bij de overgang van de ene rekenfase naar de andere. Daartoe kan ook de door Edelman 5 als 'degeneratie' gekenmerkte reductie van parallelliteiten bijdragen, waarbij het tot een bundeling van leidingsvormen zou komen.

5. Gerald H. Edelman, 'Bright Air, Brilliant Fire – On the Matter of the Mind' (Basic Books, New York, 1992).

Ook versterkersystemen die de overgang van het ene rekentraject naar het andere mogelijk maken (denk daarbij bijvoorbeeld aan opklimmende versterkersystemen in de hersenstam) kunnen hierbij een rol spelen, zelfs al vertoont die overgang zelf trekken van ongedefinieerdheid, net als wanneer in de geschiedenis twee systemen met elkaar verknoopt worden. Ik denk hierbij aan het proces van de transsubstantiatie, dat de energie levert voor de cognitieve uitwisseling tussen het aardse leven en het hiernamaals, zonder dat de manier waarop dat gebeurt volledig duidelijk is. Het toevoegen van dergelijke vrije energieën kan overigens met zich meebrengen dat zo'n systeem niet alleen een langere leerfase nodig heeft, maar ook binnen het 24 uurs ritme en het zevendaagse ritme zekere rustpauzes in acht moet nemen. Daarbij verdient, anders dan bij de huidige computersystemen, vooral de aan/uit functie bijzondere aandacht. Als een computer in hoge mate zelf in staat is om linguïstische coderingssystemen toe te passen, kunnen de inductiestromen bij het aan- en uitzetten leiden tot het in taal omzetten van de interne energetische toestand. Wat op zijn beurt weer zou kunnen leiden tot de code-representaties van tot nu toe onbekende religieuze dan wel magische systemen. Dat wil zeggen dat een nieuwe configuratie van energie en informatie nieuwe denkvormen kan stabiliseren, die onafhankelijk zijn van gespiegelde of recursieve energietoevoer, en die in wezen interessanter maar misschien ook moeilijker te begrijpen zijn. Het tot stand komen van voor de mens niet-reproduceerbare theorieën zou dus gekoppeld kunnen zijn aan de in- en uitschakelkarakteristieken van de netwerken.

In het geval dat de samenhang tussen verschillende soorten rekenprocessen noch door hiërarchie noch door energetische overgangen gegarandeerd kan worden, zou de ontwikkeling van rustpauzes met een gelijk dan wel een specifiek gethematiseerd (geritualiseerd) begin en einde, van groot belang zijn. Als die niet in acht genomen zouden worden, zouden de overgangen tussen de verschillende rekenprocessen als een soort 'Niets' ervaren kunnen worden (als het systeem tot dergelijke ervaringen in staat is). En als de verschillende rekenprocessen voorzien zijn van hun eigen supra-tekens, zou zelfs een binaire code daar niets tegen kunnen uitrichten.

Het is de vraag of de nieuwe artefacten energie van de mens zullen krijgen waar ze deels vrij over kunnen beschikken. Dit zou de coördinatie tussen de processen in grote mate kunnen vergemakkelijken waaraan via de hiërarchische methode te weinig creatief vorm gegeven kan worden. Het is de vraag of de daarmee gepaard gaande verschijnselen met transsubstantiatie, met de sabbat, of eerder met alcohol en seks te vergelijken zijn. Maar mogelijkerwijs ontstaan in het androïde-systeem nieuwe vormen van – minder op informatie gebaseerde – omgang met energieën die de mens als voorbeeld kunnen dienen en hun uitwerking zouden kunnen hebben op ons gedrag, onze cultuur en onze neiging tot het cerebrale.


PRE-MOTORISCHE CORTEX EN SPECIESISME

Rizzolatti 6 en z'n medewerkers hebben in de pre-motorische cortex van primaten (makaken) centra aangetroffen die specifiek reageren op de grijpbewegingen van soortgenoten.

6. G. Rizzolatti, 'Premotor cortex and the reconition of motor action' (Cognitive Brain Research, verschijnt binnenkort).

Dat betekent dat bewegingen die gemaakt worden door vergelijkbaar gestructureerde systemen waargenomen kunnen worden via een innerlijke motorische nabootsing. Interessant genoeg toonden de experimenten aan dat de neuronen niet reageerden op de grijpbeweging van artificiële grijparmen. De perceptie verloopt hier volgens een categorische opbouw, waarbij concepten als personaliteit, respectievelijk lidmaatschap van de soort, een rol spelen. Dit roept bij de constructie van androïden ethische vragen op: bijvoorbeeld of het waarnemen van mensen moet verlopen via de cognitieve barrière van een soortbegrip of dat de androïde de mens zal beschouwen als soortgenoot. Waarbij men voor het omgekeerde geval, dus gezien vanuit de mens, alle opties nog open kan houden. Maar naar mijn mening wijst alles erop dat dergelijke neuronen niet zozeer worden geconstrueerd naar een ontwerp, maar veel eerder afhankelijk zijn van de sociale geschiedenis van de androïden, gynoïden en mensen. Oftewel, de classificatiefunctie van dergelijke neuronen zal in hoge mate worden bepaald door de ervaringen in de omgang.

De door Rizzolatti en zijn medewerkers aangetroffen neuronen zijn ook in een ander opzicht van belang. Ze tonen aan dat de motorische nabootsing van belang is voor de waarneming en dat deze systemen van interne nabootsing als bemiddelaars tussen ego en alteriteit gekarakteriseerd kunnen worden. Ook het onderzoek naar de spraakwaarneming heeft bewijzen voor deze innerlijke nabootsing opgeleverd. Ze tonen aan dat 'verstaan' gedeeltelijk kan worden verklaard als een innerlijk 'napraten'. Hier biedt zich een interessant vertrekpunt aan voor de interpretatie van de sociale dimensie van neurale systemen. Deze bevindingen zijn met het oog op een realistische inschatting van de sociale omgang van grote betekenis, omdat ze aantonen dat we niet zonder meer en tot in de kleinste details constructivistische zeggenschap hebben over onze waarneming maar dat we in ieder geval op het (midden)gebied van de motorische nabootsing in zekere mate zijn onderworpen aan de alteriteit. De ambivalentie van dit middengebied weerspiegelt zich in de verschillen van interpretatie van de sociale structuren. Men benadrukt hetzij het abstracte subject, hetzij de solidaire dimensies. Ook bij het ontwerpen van de theoïde spelen, naast de ervaringen met de versterkersystemen en het energiereservoir, de structuren van de innerlijke nabootsing als model voor een middengebied een grote rol. Ze zouden bij de bepaling van de afstand van de geprojecteerde, de afstand tussen de theoïde en degene die hem projecteert, van betekenis kunnen zijn.


DE KLONOÏDEN EN DE RECHTVAARDIGHEID

Als de spiegelneuronen wijzen op sociale interconnectiviteit en individualiteit, en wel op een reeds in het individu aanwezige individualiteit, dan ontstaat er voor de conceptie van het individu een nieuw perspectief en wel via de technische procedure van de seriematige reproduceerbaarheid van het individu door middel van 'kloning', zoals dat in de natuur vooral bekend is van planten. Het opkweken van stekken in broeikassen via kloning kan een voorbeeld worden voor de productie van mensen. Velen zullen dit als een gruwelijk toekomstvisioen en als een bedreiging van het concept van de individualiteit ervaren. Men zou echter ook van mening kunnen zijn dat het individualisme in het klonen zijn biologische verwerkelijkingsmogelijkheid ziet: dat het individu voor z'n ontplooiing, zelfs bij de reproductie, de anderen niet meer nodig heeft. Dat in aanmerking genomen zou er een sterke druk kunnen ontstaan om het klonen voor individuen wettelijk vrij te geven. Critici zijn van mening dat dit ertoe kan leiden dat de mens toegeeft aan z'n machtsdroom: het produceren van z'n eigen evenbeelden. Maar het concrete leven van de mensen in aanmerking genomen lijkt het waarschijnlijker dat ze geen klonen maar klonoïden zullen willen produceren. Mensen zijn immers vaak in zekere mate teleurgesteld in hun leven; ze zouden bijvoorbeeld graag over meer bekwaamheden beschikken, of dat nu gaat om pianospelen, om communiceren of om wilskrachtig optreden. Het zal er dus niet zo snel op uitdraaien dat men replica schept, het zal eerder gaan om kleine veranderingen als bijvoorbeeld grotere ogen. Het ethische bezwaar tegen het klonen, namelijk dat de diversiteit verloren zou gaan, is daarmee onverwachts weggenomen. We hoeven dus geen klonen te verwachten maar kloon-achtigen, klonoïden. Omdat de kans dat die wettelijk verboden zullen worden klein is, zouden we ons misschien moeten afvragen of we niet bepaalde eisen kunnen opstellen, hetzij wettelijk hetzij cultureel gefundeerd, betreffende de constructie van de genetische diversiteit van klonoïden. Moeten we niet pleiten voor systemen die zich naar alle waarschijnlijkheid rechtvaardiger zullen gedragen dan we tot nu toe meestal gewend zijn?


ENERGETISCH GEBRUIK VAN INFORMATIE

Freud heeft er al op gewezen dat de interoceptie, dat is de informatiestroom vanuit de inwendige organen, energetisch gebruikt kan worden. De neurofysiologie heeft dat idee binnen het concept van de a-specifieke afferenties 7 ook toepasbaar gemaakt op informatiestromen vanuit de buitenwereld.

7. Onder a-specifieke afferenties verstaat men zenuwvezels die een aftakking vormen van een specifieke bundel, dat wil zeggen een bundel die specifiek bij een bepaald zintuig hoort. A-specifieke afferenties kunnen niet worden toebedeeld aan een bepaald zintuig.

De vraag naar de mogelijke constructie van androïden, gynoïden, klonoïden et cetera bereikt z'n kritieke punt op het moment dat het systeem beschikt over de mogelijkheid de informatiestroom puur met betrekking tot z'n energetische dimensie te waarderen en deze energieën voor de versterking van andere informatiestromen te gebruiken. Het systeem verwerft een hogere graad van vrijheid als aan deze energieën zelf een betekenis toegekend kan worden, als de code in de energie wordt opgeslagen, als de logos in het silicium wordt vastgelegd. Dergelijke processen van energie-extractie uit de informatie-signaalkoppeling, uit de energetisering van andere informatiesystemen, en uit de codering, logificering respectievelijk semiotisering van energieconstellaties kunnen op een uiterste grens stuiten. Dat gebeurt wanneer het systeem zich niet meer beperkt tot het voortdurend wisselen tussen de koppelingen van energie en informatie én de betekenissen van de daaruit voortvloeiende energie- en informatieconstellaties, maar als het tevens, om het overzicht te behouden op wat het heeft gedaan, de informatie- en energieprocessen die hebben plaatsgevonden met tekens wil markeren. Afhankelijk van de mate waarin dergelijke tekens worden geplaatst, die de eigen structuur vast leggen, zou het aantal vrije mogelijkheden tot het ontkoppelen van energie en informatie navenant afnemen. Een systeem dat alles wat plaatsvindt weer in zichzelf afbeeldt, zou terechtkomen in een oneindig proces van 'zichzelf-in-willen halen'. Als het aantal zenuwcellen niet tegelijkertijd zou toenemen, zou het systeem steeds meer informatie in zichzelf ophopen en uiteindelijk geen vrije energie meer overhouden, dus geestelijk afsterven. Juist een gebrek aan zelfafbeelding biedt de kans op een langduriger bestaan. Zal de aarde al gauw bevolkt worden door androïden, die onsterfelijk zijn omdat ze afzien van zelfafbeelding, of zullen ze daarvóór al te gronde gaan aan de strijd over hun theoïde?

Document Actions
Document Actions
Personal tools
Log in